AlgemeenContactblad

 

Algemeen

 

De leden van de Speciaalclub Zang NZHU wonen verspreid over Nederland. Het clubblad is daarom een belangrijk middel om elkaar te informeren en ervaringen uit te wisselen. In het Contactblad vindt men verslagen van de door de Speciaalclub georganiseerde activiteiten en artikelen met betrekking tot het houden en fokken van zangkanaries, i.h.b. harzers, waterslagers en timbrado's.
Uitgangspunt is om drie keer per jaar een editie van het Contactblad uit te geven.

Op deze site is de laatste editie van het Contactblad integraal geplaatst.
Elders op deze site vindt men ook, op onderwerp gerubriceerde, artikelen uit vorige edities van het Contactblad.

De eindredactie en distributie van het Contactblad is in handen van:
Jaap Plokker
Hercules 86
2221 MD Katwijk

TOP

 

 

Laatst verschenen edities Contactblad

Hieronder vindt men de in 2025 verschenen edities van het clubblad van de Speciaalclub Zang NZHU, met uitzondering van de novemberuitgave, die vooral verenigingsinfo bevat.


Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebber

Januari 2025, 41e jaargang, nr. 1

- Afluisterochtend 23 november 2024
- Verslag clubkampioenschappen 2024
- Elk nadeel heb z’n voordeel; verenpikken
- Even het licht niet gezien, met alle gevolgen van dien
- Zangkanaries kweken over de grenzen; zangkanariewedstrijd in Nieuw  Zeeland                                                                          

-0-

Afluisterochtend 23 november 2024

door Jaap Plokker

Op zaterdag 23 november 2024 werd voor de dertiende keer een afluisterochtend georganiseerd. Behalve het met elkaar luisteren naar, hopelijk, mooie vogels is deze activiteit ook bedoeld om zich verder te bekwamen in het kritisch luisteren en beoordelen van het lied.

Onze gebruikelijke afluisteractiviteit werd gehouden op zaterdagochtend 23 november 2024. Er was dit jaar weinig belangstelling. Drie liefhebbers hadden vogels meegenomen, t.w. Rob Bisschops, Jaap Plokker en Jan Zonderop. Tinus Teeuwen en Piet Hagenaars completeerde het gezelschap tot vijf.
Alvorens de vogels op tafel kwamen werd eerst onder het genot van een door Piet Hagenaars gezet kopje koffie de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Zo had Tinus Teeuwen wederom een rampzalig verlopen kweekjaar gehad. Na een aanvankelijk redelijk succesvol broedseizoen begon hij in de zomer, evenals vorig jaar, dode vogels op te rapen en inmiddels was er nog maar een fractie van zijn vogelbestand in leven. Hij staat voor een raadsel; hij weet eigenlijk niet wat hem overkomt en hoe dat op te lossen.
Voordat er naar de eerste vogels werd geluisterd vroeg Jaap Plokker in het achterhoofd te houden welke twee viertallen het meeste indruk hadden gemaakt. Hij had bij de visboer twee gerookte ‘mekrieltjes’ gekocht en die moesten aan het eind toch een terechte bestemming krijgen. Om 10.15 u. kwamen de eerste vogels op tafel en vervolgens konden alle meegenomen vogels hun zangkunsten vertonen.

Verloop
Over de gehele linie zongen de meegenomen vogels goed door en viel er dus veel te bespreken. De vogels van Jaap zongen wel, met name een overjarige vogel die een mooi compleet lied zong met alleszins acceptbel waterwerk, sprong er echt tussenuit. Bij de overige vogels was heel goed hoorbaar dat ze nog een studieweg te gaan hadden. Jaap vertelde dat zijn jonge mannen erg laat door de rui waren gekomen en hij ze liever nog in de vlucht had laten zitten, maar vanwege de wedstrijd van De Kanarievogel ze half november toch maar had opgekooid. Ze zaten dus koud een week in het zangkooitje.

 
Afluisterochtend, 23 november 2024. Vlnr. Piet Hagenaars, Rob Bisschops, Tinus Teeuwen en Jan Zonderop luisteren met een kritisch oor naar een stam waterslagers.

Evenals vorig jaar vielen de vogels van Rob Bisschops op door een heel mooie tjokkenpartij, met name de tjokkenrollen klonken als bij nachtegalen. Soms waande je je in de duinen. Tussen dit geweld klonk toch ook leuk waterwerk. Rob had zelf de indruk dat de tjokkenpartij vorig jaar beter was dan nu.
Naar aanleiding van de vogels van Rob Bisschops spraken we ook over een vraagstuk dat tijdens het afluisteren op de jaarvergadering eveneens aan de orde kwam. Waarom horen we zo weinig goede tjokken? Mooie tjokkenrollen zijn volop te beluisteren, maar zeer goede, uitgesproken (nachtegaal) tjokken lijken een zeldzaamheid te zijn geworden. Andries Gort gaf op de jaarvergadering aan dat hij de indruk heeft dat dit verschijnsel niet van de laatste tijd, maar al jaren gaande is. 
Een in waterslagerkringen heersende ‘wijsheid’ is dat klokken en tjokken elkaar bijten, oftewel, wanneer een vogel in één van de twee uitblinkt, gaat dat ten koste van de kwaliteit van de ander. Is dit een ‘broodje aap’ verhaal, of zit er een kern van waarheid in? Degelijk onderzoek is er nooit naar gedaan, voor zover ik weet althans. Bovendien zullen er altijd uitzonderingen opgevoerd worden, die mogelijk de regel bevestigen. Maar klopt het dat bij kwekers in het afgelopen decennium er een toenemende aandacht is voor kwaliteitsverbetering van met name de klokkende waterslag, en van een eventuele grotere focus op de klokkende waterslag de tjokken het kind van de rekening kan zijn geworden? Een interessante vraag, die bij het ontbreken van harde gegevens lastig met degelijke onderbouwing te beantwoorden is. Jan Zonderop had acht vogels meegenomen: vier overjarige en vier jonge mannen. De vier overjarige waren van verschillende kwekers. Hij had ze minstens een jaar in zijn verblijf. Jan zette ze op tafel met de boodschap: zoek de verschillen. Het waren geen vier identieke vogels, maar dat kan je ook hebben met vier broers. Maar de algehele teneur was toch wel dat de aangekochte vogels in Jan’s vogelverblijf hun zang behoorlijk hadden aangepast aan het dominante zangmilieu. Een vogel met uitgesproken andere zang zat er niet tussen.
De vier jonge mannen zongen, zoals we van Jan’s vogels gewend zijn, een aangenaam lied met mooi waterwerk. Overigens had Jan voor het afluistermoment voorafgaand aan de jaarvergadering ook jonge vogels meegenomen en die maakten op mij meer indruk dan de vogels die ik zaterdag had gehoord. Met name het klokkend waterwerk klonk op dinsdagavond beduidend beter dan op zaterdagmorgen.

Omstreeks twaalf uur waren alle vogels uitgebreid op tafel geweest en besproken en moesten de gerookte  ‘mekrielen’ worden verdeeld. Jaap besloot Jan en Rob er elk één mee te geven. Jammer dat er maar weinig kwekers en vogels waren, maar desondanks hebben de aanwezigen een gezellige en onderhoudende ochtend gehad.

-0-

Verslag Clubkampioenschappen 2024

door Jaap Plokker

Van 2 t/m 4 januari 2025 organiseerden we onze 38e clubkampioenschappen. Voor de zevende keer vond dit evenement plaats in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, tevens het clubgebouw van vogelvereniging ‘De Kanarievogel’.

Met Kerstmis op woensdag en donderdag en Nieuwjaar op woensdag waren er voor de Kerst en tussen Kerst en Nieuwjaar geen drie aaneensluitende dagen om onze clubkampioenschappen te kunnen houden. Ook de week voor Kerst was geen optie, omdat op de derde zaterdag van de maand De Kanarievogel haar maandelijkse voer- en vogelbeurs heeft. Kortom, er zat niets anders op dan de clubkampioenschappen na Nieuwjaar te organiseren, nl. op 2 t/m 4 januari 2025.

Kweekseizoen 2024 verliep voor iedere kweker niet naar wens. Diverse leden werden met tegenslag geconfronteerd, waardoor er onder de leden substantieel minder vogels  beschikbaar waren voor de clubkampioenschappen. Na het sluiten van de inschrijving bleken 9 leden vogels te hebben ingeschreven. Eén lid schreef 8 Hazers in; 9 leden 138 waterslagers. Deze waren als volgt verdeeld: 18 stammen, 17 stellen en 32 enkelingen.

 
38e clubkampioenschappen. Opbouwen keurkamers. Vlnr. Krien Onderwater, Piet Hagenaars en Tinus Teeuwen.

Opbouw en inkooien 2 januari 2025
Op donderdag 2 januari 2025 was ca. 10.00 u. de opbouwploeg, bestaande uit Piet Hagenaars, Krien Onderwater, Jaap Plokker, André Toet en Gerard van Zuijlen in het gebouw present om de keurkamers met toebehoren op te bouwen en de tafels met vervoerkoffers  klaar te zetten voor het inkooien, etc., etc. Vanwege de 138 ingeschreven waterslagers waren er maar drie keurmeesters nodig en moesten er dus ook maar drie keurkamers opgezet worden. Zoals gebruikelijk had de vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ begin december gebruik gemaakt van ons wedstrijdmateriaal en bij het pakken van het voor hen benodigde materiaal was dus al een deel van het door ons te gebruiken materiaal in het gebouw. Terwijl het ene groepje zich bezig hield met het opzetten van de keurkamers haalden de anderen de benodigde extra vervoerkoffers uit de opslag. Omstreeks 11.30 u. stond nagenoeg alles op z’n plek en konden de inkooiers de inzenders ontvangen. Inmiddels was ook Jan Zonderop gearriveerd, die het inkooien  met Piet Hagenaars zou begeleiden. Tegen 13.00 u. verscheen als eerste Willy Kling met zijn zoon en 24 waterslagers; even na zeven uur kwam Rob Bisschops, als laatste, zijn vogels brengen. Rob kan niet eerder komen, omdat hij ook nog een winkel in rookwaren te runnen heeft. Brood op de plank is nu eenmaal belangrijker dan een liefhebberij. Nadat Rob’s vogels waren ‘ingeklaard’ werden de koffers met de door desbetreffende keurmeester te keuren vogels bij z’n keurkamer neergezet. Ook dit verliep heel vlot en om 19.30 u. konden de lichten uit en iedereen naar huis.

 
38e clubkampioenschappen. De opbouwploeg aan de koffie. Vlnr. André Toet, Krien Onderwater, Tinus Teeuwen, Piet Hagenaars en Gerard van Zuijlen

Keuringsdag 3 januari 2025
De keuringsdag, vrijdag 3 januari 2025, begon voor Piet Hagenaars en Jaap Plokker om 07.30 u. met een kwartiertje ‘lichten en luchten’ van de zangkanaries en vervolgens het aanzetten van het koffiezetapparaat. Tegen ca. 08.15 u. kwamen als eersten de keurmeesters Toon van Gestel en Willy Kling binnen. Kort daarop arriveerde ook Krien Onderwater. Hij is het afgelopen jaar verhuisd van Rijnsburg naar Valkenburg en kon het dus nog steeds op de fiets af.
Na het welkomstwoord van Jaap Plokker kregen de keurmeesters de blinde lijst uitgereikt. Ze zouden alle drie enkelingen, stellen en stammen keuren en wel in genoemde volgorde. Om 09.15 u. konden de eerste vogels op tafel gezet worden.
De waterslagers werden dus door drie genoemde keurmeesters beoordeeld. In de loop van de ochtend zou ook Jacques de Beer arriveren om de acht harzers van Jan de Bruine te keuren.
Terwijl de keurmeesters de vogels beoordeelden en de keurbriefjes invulden was elders in het gebouw het wedstrijdsecretariaat in vol bedrijf: Piet Hagenaars verzamelde de keurlijsten en Tiny Zonderop voerden in de computer de resultaten in. Vervolgens gingen de keurlijsten naar Jan Zonderop, die er de naam van de inzender en het ringnummer op schreef en ter afsluiting de achterzijde voorzag van een verenigingsstempel.
Om 12.30 u. werd de keuring onderbroken voor een aperitiefje en omstreeks 12.45 u. kon iedereen aan tafel. Er stond een door Gerard van Zuijlen verzorgde broodmaaltijd gereed en voor degene die belangstelling had was er ook nog een door Jaap Plokker gekookte kom snert. Niemand liet verstek gaan; de snertpan ging helemaal leeg.
Na de maaltijd, waarvoor uitgebreid de tijd werd genomen en het ene na het andere verhaal over tafel ging, togen de keurmeesters weer aan het werk.
Omstreeks 15.30 u. waren alle vogels gekeurd en kon men aan de slag om de keurkamers af te breken, de waterslagers in de tentoonstellingsruimte weer op volgorde te zetten en na te lopen op water en voer. Ook de afluisteropstelling voor zaterdag werd in orde gemaakt.
Daarna was aan vrijwel iedereen een welverdiende rust gegund. Dat gold niet voor Jaap Plokker en Piet Hagenaars die nog een klusje te klaren hadden: het in orde maken en drukken van de catalogus en de oorkondes die daags daarop respectievelijk aan de inzenders en prijswinnaars zouden worden uitgereikt. Piet had zijn sealapparaat meegenomen naar het clubhuis. Omstreeks 20.00 u. was de catalogus klaar, de oorkondes geseald en konden ook zij naar huis.


38e clubkampioenschappen. Inkooien. Jan de Bruine haalt zijn vogels uit de tas terwijl Jan Zonderop en Piet Hagenaars klaar staan om ze weg te brengen.

Studiedag 4 januari 2025
Op zaterdag 4 januari 2025 hadden we onze traditionele studiedag. De dag begon met het vaste ritueel van het open zetten van de koffers zodat de vogels konden eten en drinken. Om 09.00 u. arriveerde Krien Onderwater en konden de ringen van de belangrijkste prijswinnaars gecontroleerd worden.
Vanaf 09.30 u. druppelden de eerste mensen binnen en ca. 10.15 u. opende  Jaap Plokker de studiedag met een korte toespraak, die besloten werd met de bekendmaking van de  prijswinnaars. Vervolgens werden de catalogi en keurlijsten uitgedeeld. Nadat die in ontvangst waren genomen volgde een periode waarin men het erg druk had met het bestuderen van de catalogus, de eigen keurlijsten en die van de tafelgenoten. Inmiddels was het aantal bezoekers gegroeid en het dus de hoogste tijd om de eerste vogels af te luisteren.
Gezien het te verwachten bescheiden aantal aanwezigen was besloten de vogels af te luisteren in het achterste gedeelte van de vergaderzaal, zodat de kachel in de tentoonstellingsruimte op een lage stand kon blijven staan.
Om ca. 10.30 u. begon de eerste afluisterronde. Geheel volgens het tijdschema ging iedereen om ca. 12.00 u. naar het conversatiegedeelte van de vergaderzaal voor de middagpauze. Daar kon men aan het buffet zich voorzien van waar men trek in had: er was keuze uit broodjes ham en kaas, een slaatje, een bal gehakt en een kom erwtensoep. Behalve als een goede secretaris en penning-meester ontpopte Piet Hagenaars zich ook als een volleerd cateraar. Van de pauze werd tevens gebruik gemaakt om een verlotingsronde te houden en wisselden de eerste orchideeën van eigenaar.
In de middag werden diverse stammen afgeluisterd. Uiteraard verschenen ook prijswinnende stammen op tafel. In de stam van Jaap Plokker, die de derde prijs had behaald, zat ook de meesterzanger. Verder de vice-kampioenen van Willy Kling en de winnende stam van Krien Onderwater.

38e clubkampioenschappen. Keuringsdag. Wedstrijdsecretariaat. Tiny Zonderop typt, t.b.v. de catalogus, de keurresultaten in het computerbestand.

Terugkijkende op de afluistersessies kon de conclusie getrokken worden dat vrijwel alle vogels lekker hadden gezongen en laten horen waartoe ze in staat waren.  Verder kon, wederom, geconstateerd worden hoe de vogels van de verschillende kwekers in zang kunnen verschillen. Zo klonken de uitgesproken slagvogels van, bijvoorbeeld, Gerard de Brabander, Jan de Bruine en Krien Onderwater beduidend anders dan de vogels van Willy Kling, Jan Zonderop en Jaap Plokker. Van enkele kwekers kwam meer dan één viertal op tafel en dan blijkt van dezelfde kweker zelfs de ene stam van de ander te verschillen. Zo moesten we bij de eerste vier vogels van Willy Kling zoeken naar toervormen die ze daags daarvoor bij de keurmeester kennelijk wel hadden gezongen en had zijn prijswinnende stam er voor gekozen om zich vooral te concentreren op, overigens prima, rollend en klokkend waterwerk. Ook Willy had geen verklaring voor de verschillen in zang, die ook hij had geconstateerd, temeer dat dit hem thuis niet was opgevallen.
Het is iedere keer weer verbazingwekkend hoeveel variaties van de klokkende waterslag gezongen kunnen worden. Ik heb overigens de indruk dat de klokkende waterslag, die we de laatste jaren op de studiedag van de NZJU te horen krijgen, over de gehele linie er zeker niet minder op geworden is. Daarentegen is het steeds meer zoeken naar zeer goede tjokken. Mooie tjokkenrollen hebben we kunnen beluisteren, maar de zeer goede tjokken lijken toch wel de dupe te zijn geworden van de focus op de klok.

Om 14.15 u. werd het laatste viertal van tafel gehaald en nam iedereen plaats in de vergaderzaal voor een drankje, een pauzepraatje en de tweede en laatste verloting. Dankzij Gerard van Zuijlen zaten er weer schitterende orchideeën in de prijzenpot en de meeste lotenkopers konden dan ook één of meer gewonnen orchideeën mee naar huis nemen.
De studiedag werd traditioneel afgesloten met de prijsuitreiking. Dit jaar bestond  het ‘eremetaal’ wederom uit geldprijzen. Als blijvende herinnering ontvingen de prijswinnaars en de derbywinnaar een oorkonde.
Geheel volgens planning kon om ca. 15.00 u., begonnen worden met het uitkooien. Hierna volgden voor de medewerkers nog de grote schoonmaak. Dankzij de welwillende medewerking van een aantal inzenders ging het opruimen bijzonder snel.
Het wedstrijdmateriaal verdween in de opslag achter het gebouw, onder het zeil. Om ca. 16.00 u. stond alles weer op z’n plaats en was de ruimte veegschoon.

38e clubkampioenschappen. Keuringsdag. Lunchtijd.

Slot
Tot slot is een bijzonder woord van dank op z’n plaats. Ik wil Stichting Kleindierensport Katwijk bedanken voor het beschikbaar stellen van het gebouw voor onze wedstrijd en beheerder Bouwe Nijgh voor zijn welwillende medewerking, de vereniging ‘De Kanarievogel’ voor het mogen gebruiken van hun faciliteiten in hun clubgebouw. Een bijzonder dankwoord is op z’n plaats voor Tiny Zonderop, die, nog maar net hersteld van een fikse griep en, wederom, een oogoperatie, op vrijdag de keurresultaten in de com-puter heeft gezet. Ook de leden die het bestuur hebben geholpen tijdens de opbouw- en opruimwerkzaamheden en hand- en spandiensten hebben verricht tijdens de wedstrijd- en studiedag, worden uiteraard in de dank betrokken, t.w. Jan Zonderop,  Krien Onderwater, Tinus Teeuwen en André Toet. Last but not least wil ik m’n medebestuursleden, Piet Hagenaars en Gerard van Zuijlen bedanken voor hun betrokkenheid en inzet zowel vooraf als tijdens de wedstrijd en gedurende het verenigingsjaar 2024.
Onze 38e clubkampioenschappen werden voor de zevende keer georganiseerd in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk. De organisatie verliep geheel naar wens en de sfeer tijdens de studiedag was ontspannen en gezellig. In een gemoedelijke sfeer werden de vogels afgeluisterd en bediscussieerd. De pauzes werden volop benut om met elkaar over vogels te kletsen. Het was daarom in mijn beleving van 2 t/m 4 januari 2025 goed toeven in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk. Ik zie al weer uit naar de volgende wedstrijd en hopelijk zijn de leden die, noodgedwongen, deze keer verstek moesten laten gaan dan weer met hun vogels van de partij.

 
38e clubkampioenschappen. Studiedag 4 januari 2025. Na het uitdelen van de catalogus dook iedereen in de keurresultaten.

Prijswinnaars clubkampioenschappen 2024

Harzers:
Meesterzanger: Jan de Bruine, 89 pnt.

Waterslagers:
Meesterzanger en winnaar NBvV Bondskruis: Jaap Plokker, 149 pnt.
Stammen: 1e  prijs: Krien Onderwater, 597 pnt.; 2e prijs: Willy Kling, 591 pnt.; 3e prijs: Jaap Plokker, 589 pnt.;
Stellen: 1e prijs: Jan Zonderop, 292 pnt.; 2e prijs: Willy Kling, 292 pnt.; 3e prijs: Jan Zonderop, 290 pnt.
Enkelingen: 1e prijs: Gerard de Brabander, 144 pnt.; 2e prijs: Willy Kling, 142 pnt.; 3e prijs: Gerard de Brabander, 140 pnt.
Derby: Willy Kling, 147 pnt.

 
38e clubkampioenschappen. Studiedag 4 januari 2025. Afluisteren.

-0-

Elk nadeel heb z’n voordeel - Veren pikken

door Jaap Plokker

In dit artikel komen we nog eens terug op de discussie in ons clubblad over het fenomeen ‘veren pikken’. Recente praktijkervaringen wijzen, volgens Jaap Plokker, opnieuw, in een bepaalde richting.

Of de uitspraak ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’ van Johan Cruijff of van Willem van Hanegem is laten we hier even in het midden, maar dat de werkelijkheid weleens zo kan uitpakken heb ik het afgelopen jaar weer ervaren. In de vijftig jaar dat ik me bezig houd met het kweken van kanaries overkwam mij in 2024 iets dat me nog nooit was overkomen: aan het begin van het broedeizoen waren nagenoeg al mijn poppen in de rui.
Uiteraard had ik wel de gehele winter ruiveertjes in de vlucht gevonden, maar de ernst daarvan was niet echt tot me doorgedrongen. Toen ik eind maart de poppen uitving om in de broedkooien te zetten schrok ik me een hoedje: nagenoeg alle poppen hadden ruiverschijnselen. Die kon ik voor de kweek afschrijven. Enkele poppen leken wel in broedconditie. Mijn vermoeden klopte. De poppen die ik in maart voor de kweek had afgeschreven zijn nooit in broedconditie gekomen. Van de poppen die op het oog geen ruiverschijnselen vertoonden moest ik maar afwachten of ze iets gingen doen. Uiteindelijk hebben vier van mijn 31 kweekpoppen een nest gemaakt en hebben zij twaalf jongen grootgebracht. Ik zag eind maart 2024 mijn kweekseizoen volkomen in duigen vallen, met het vooruitzicht in het najaar voor spek en bonen bij de clubactiviteiten aanwezig te zijn.
Gelukkig staken leden van De Kanarievogel/NZHU een helpende hand toe. Jan Zonderop had nog een pop over en bij Gerard de Brabander zaten nog vier reservepoppen. Krien Onderwater stond op punt te gaan verhuizen en hij kon maar één ronde doen. Hij bood mij aan om te proberen of poppen die bij hem een rondje hadden gedaan bij mij ook nog een nest zouden maken. Dankzij de medewerking van genoemde leden is het me in 2024 toch nog gelukt 30 jongen op stok te krijgen. Uiteindelijk bleken het 17 mannen en 13 poppen te zijn. Voor mijn stamopbouw was 2024 een nagenoeg verloren jaar, maar ik had het vooruitzicht voor de wedstrijd een aantal vogels te kunnen inschrijven.

 
Een voorbeeld van preventie tegen verenpikken. In de volière van Jan Zonderop kan  iedere individuele vogel een zitplek vinden waarop hij/zij niet door anderen kan worden gepikt

Tijdens de kweek viel me op dat ik bijna geen last had van poppen die bij de pas uit het nest gekomen jongen de staarten uittrokken. Al jaren let ik er op dat poppen van hun jongen afblijven. Niet altijd met succes. Nu zat ik opeens met een volière met jonge vogels met volledige staarten. Dit was me in jaren niet overkomen. Altijd zaten er wel tussen van wie de staartpennen waren uitgetrokken.
Na het broedseizoen heb ik de poppen gescheiden gehuisvest: jong bij jong, eigen bij eigen en vreemd bij vreemd. Ik constateerde dat in de vlucht met de overjarige eigen poppen er beduidend meer bij elkaar werd gepikt dan in de andere vluchtjes.

Moraal van het verhaal. Steeds meer neig ik naar de gedachte dat verenpik-ken door poppen weinig te maken heeft met een voedingsgebrek of het zoe-ken naar nestmateriaal, zoals zo vaak wordt beweerd. Alle vogels verbleven onder dezelfde omstandigheden en kregen hetzelfde voer. Toch werd er in de vlucht met overjarige eigen poppen meer gepikt dan in de andere. Naarmate ik er serieuzer op let kom ik steeds meer tot de conclusie dat de eigenschap van poppen om hun jongen, soms al in nest, de veren en staartpennen uit te trekken in de vogel zelf zit en erfelijk wordt doorgegeven. Er zijn dus bloedlijnen die pikken en bloedlijnen die niet pikken.
Ik ben er van overtuigd dat we kunnen afkomen van voorzetkooitjes voor de broedkooien, dubbele broedkooien met tralietussenschotjes tussen pop en jongen en wat er al niet meer wordt gedaan om te voorkomen dat poppen hun jongen pikken, cq. de staart uittrekken, door streng te selecteren en pikkende poppen én hun nazaten doelgericht uit ons kweekbestand te elimineren.
In welke mate de man in het doorgeven van deze eigenschap een rol speelt heb ik nog niet ontdekt, maar dat zal ongetwijfeld het geval zijn. Mogelijk dat anderen hier wat meer zicht op hebben.

Het jaar 2024 had dus geen broedseizoen waarop ik met plezier terugkijk. Desondanks was er echter toch ook een positieve ervaring, namelijk dat ik door te kweken met veel ‘vreemde’ poppen, opnieuw, ben bevestigd in mijn veronderstelling dat het verenpikken bij jongen door poppen in grote mate een erfelijk overdraagbare eigenschap is. Het stimuleert me om door te gaan op de weg die ik heb ingeslagen om deze vervelende eigenschap steeds meer uit mijn eigen bloedlijnen te selecteren.

 
Nog een plaatje uit de volière van Jan Zonderop.

-0-

Even het licht niet gezien, met alle gevolgen van dien

door Jaap Plokker

Vogels uit gematigde streken reageren op licht. In broedstemming komen,  zangontwikkeling, ruien, enz. alles wordt gereguleerd vanuit de hersenen. Die zetten bepaalde ontwikkelingen in het vogellichaam in gang, aan de hand van het toe- of afnemend aantal lichturen. Wij kunnen dit sturen en daarmee, bijvoorbeeld, het moment van het broedseizoen naar onze hand zetten. Ook kan verlichting zorgen voor onwelkome ervaringen. Daarover gaat dit artikel.

In de vijftig jaar dat ik me bezig houd met het kweken van kanaries overkwam mij in 2024 iets dat me nog nooit was overkomen: aan het begin van het broedeizoen waren nagenoeg al mijn poppen in de rui. Uiteraard had ik wel de gehele winter ruiveertjes in de vlucht gevonden, maar dat was niet tot me doorgedrongen als een serieus probleem. Toen ik eind maart de poppen uitving om in de broedkooien te zetten schrok ik me een hoedje: nagenoeg alle poppen hadden ruiverschijnselen.
Ik heb me suf geprakkiseerd wat hiervan de oorzaak zou kunnen zijn. In eerste instantie denk je aan een verlichtingsprobleem. Dit leek mij uitgesloten. Al ruim veertig jaar woon ik in dit huis en volg al die tijd hetzelfde recept voor mijn belichting: ’s morgens geen bijlichten en avonds tot 19.15 u. vol licht en daarna een spaarlampje dat om 19.30 u. uitgaat. Van een mogelijk tijdelijk belichtingsincident was ik me niet bewust. Wel staat al die jaren bij mij een straatlantaarn op ca. 7 meter van mijn vogelverblijf. Het enig mogelijke buitenlicht in mijn vogelverblijf komt van een lichtkap in het dak. Via die lichtkap komt er dus ook licht van de straatlantaarn in het vogelverblijf. Tot dusver heb ik daarvan, bij mijn weten, in die ruim veertig jaren nooit nadelige gevolgen ervaren.

38e clubkampioenschappen. Studiedag 4 januari 2025. Afluisteren. Als er vogels op tafel stonden werd er aandachtig naar ze geluisterd.

Dat het ruiprobleem in de winter van 2024 geen uniek incident was, waarvan de oorzaak me was ontgaan, bleek in het najaar van 2024. Jonge mannen kwamen laat door de rui en dus op zang. Halverwege november vertoonden nog heel veel jonge mannen studiezang, maar ik heb ze toch maar opgekooid. Veel poppen kwamen slecht door de rui en eind november vond ik nog overal ruiveertjes, ook bij de overjarige poppen die niet gebroed hadden. De ervaringen in 2024 lieten zich dus niet categoriseren als een eenmalige gebeurtenis, maar veeleer als het eerste hoofdstuk van een feuilleton met hoeveel delen, cq. jaren? Ik had geen idee. 
 
38e clubkampioenschappen. Studiedag 4 januari 2025. Tijdens de pauze konden met de verloting weer schitterende orchideeën gewonnen worden.

Straatlantaarn
In de loop van het jaar 2024 was mij tijdens de onderonsjes op de bijeenkomsten van De Kanarievogel door anderen gewezen op de straatlantaarn als mogelijke boosdoener. Ik had dat steeds weggewuifd, omdat hij er al jaren staat. Onvoldoende was tot me doorgedrongen dat ook een mogelijke verandering in de lichtintensiteit van de straatverlichting ter sprake was ge-komen. Nu, in november 2024, kweekjaar 2025 dezelfde ramp dreigde te worden als 2024 was geweest werd  het toch zaak de straatlantaarn aan een nader onderzoek te onderwerpen. Ik kwam tot de ontdekking dat waar in het verleden ik in Katwijk in de lamp van een straatlantaarn kon kijken dit nu niet meer het geval was. Had men de lampen in de straatlantaarns vervangen door LED verlichting, dat veel feller is dan de TL of halogeen lampen, die tot dan toe gebruikelijk waren? Het lijkt er wel op, maar ik heb geen flauw idee wanneer dat is gebeurd: In 2024, of al in 2023? 

38e clubkampioenschappen. 4 januari 2025. Prijsuitreiking.
Krien Onderwater was dit jaar kampioen stammen waterslagers.

LED verlichting
LED verlichting is energiezuinig, maar wel heel fel, soms te fel. Even ‘googelend’ op internet ontdek je dat aan langdurig vertoeven bij LED verlichting nadelen kunnen zitten. LED verlichting kan voor het oog onzichtbare flikkeringen geven die wel door de hersenen worden geregistreerd. Ook te fel licht kan een effect op de hersenen hebben. In beide gevallen kan constant verblijf in ruimtes met LED verlichting leiden tot gezondheidsproblemen. Zou wat op mensen van toepassing is ook niet voor dieren kunnen gelden, in ons geval vogels? In dit verband hoorde ik bij de vogelvereniging De Kanarievogel een zeer interessante praktijkervaring. Eén van de leden kweekt grote parkieten en heeft behoorlijk wat kunstverlichting in zijn vogelverblijf. Uit energiebesparing heeft hij al zijn oude lampen vervangen door LED verlichting. In het eerstvolgende broedseizoen kweekte hij geen veer. Op zoek naar de oorzaak kon hij alleen bedenken dat zijn enige verandering met voorgaande jaren het vervangen van de lampen was geweest. De proef op de som nemend heeft hij de LED verlichting weer vervangen door de oude lampen. De kweek verliep als vanouds. Bij hem komen er dus voorlopig geen LED lampen in zijn vogelverblijf. Zou door de nieuwe LED verlichting in de straatlantaarn de biologische klok van mijn zangkanaries van slag zijn geraakt?

38e clubkampioenschappen. 4 januari 2025. Uitkooien.

Maatregelen
Toen ik in het donker in mijn vogelverblijf kwam schrok ik wel van de hoeveelheid licht die van de straatlantaarn via de lichtkap naar binnen kwam. In mijn beleving was dat veel meer dan vroeger het geval was. Ik besloot de reductie van het licht, dat ’s nachts via de lichtkap, mijn vogelverblijf binnendrong rigoureus aan te pakken. Het licht van de straatlantaarn komt van opzij dus heb ik van donkergrijze vuilniszakken afkomstige plastic stroken verticaal opgehangen waardoor het licht van boven wel naar binnen kan en de straatverlichting van opzij wordt tegengehouden. Verder heb ik van de ronde straatlantaarn de zijde die rechtstreeks richting mijn lichtkap schijnt met Duck tape afgeplakt. Het is nu half december en het is inmiddels ’s nachts aanmerkelijk donkerder in mijn vogelverblijf dan het in november was. Inmiddels lijkt het wel of de poppen reageren op de veranderde lichtsituatie; ik vind opeens veel meer ruiveren…...  Overigens schijnen de overjarige mannen er veel minder last van te hebben. Die zingen dat het een lieve lust is en hebben in het voorjaar van 2024 gewoon bevrucht.
Het is nu afwachten of ik mijn ruiprobleem heb opgelost en ….. of ik niet te laat ben geweest. In de regel gaan mijn kweekpoppen rond 1 april in de broedkooi: vier maanden nadat ik het licht van de straatlantaarn had getemperd. Ik heb dus enig respijt.

Slot
Weliswaar veel te laat, maar ik hoop dat ik nu de oorzaak van de winter- en voorjaarsrui bij mijn waterslagerpoppen heb ontdekt en de juiste maatregelen heb genomen. Hopelijk komen er voldoende poppen in het voorjaar van 2025 toch nog op tijd in broedconditie. De vogelhersentjes hebben in ieder geval vanaf begin december ’s van 19.30 u. tot zonsopkomst geen of nauwelijks lichtprikkels gehad. Om de nacht nog, natuurlijker, langer te maken heb ik mijn licht medio december nog verder teruggebracht en gaat nu om 18.45 u. het licht uit. Dit ondanks dat twee koppels spitsstaartbronzemannetjes met jongen zaten. Voor de zekerheid heb ik besloten geen enkele waterslagerpop, jong of oud, ‘eigen’ of ‘vreemd’ weg te doen. Wellicht zitten er straks toch een paar tussen die willen broeden.
Ik heb duidelijk te laat het licht gezien, en dat na vijftig jaar ervaring met het kweken van zangkanaries. Je bent nooit te oud om te leren. 

Ongetwijfeld zullen er vogelliefhebberds zijn die tot volle tevredenheid zijn overgeschakeld op LED verlichting. Heb je positieve of ongewenste ervaringen met kunstverlichting, cq. LED verlichting? Deel het met anderen, want met elkaar word je wijzer.

-0-

Zangkanaries kweken over de grenzen; zangkanariewedstrijd in Nieuw Zeeland

door Jaap Plokker
m.m.v. Karl Hanse
n

Al jarenlang heb ik op onregelmatige momenten e-mailcontact met Karl Hansen in Nieuw Zeeland. Karl is op 20 december jl. 49 jaar geworden en is een enthousiast vogelliefhebber met een brede interesse voor wat er op de wereld op het gebied van het kweken van vogels gebeurt. Hij kweekt zelf ook vogels, op bescheiden schaal. Een van zijn favoriete onderwerpen is de zangkanariekweek. Hij struint internet af om van alles op te pikken over zangkanaries, wedstrijden, enz. Ook wat er in Europa gebeurt volgt hij.

Nieuw Zeeland in het kort
Nieuw Zeeland ligt op een plaats waar grote tektonische platen op elkaar botsen. Als gevolg hiervan zijn er gebergteketens ontstaan en is er ook vulkanisme. Aan deze geologische activiteiten dankt Nieuw Zeeland haar ontstaan. Vanwege de bewegende tektonische platen en het vulkanisme zijn er vaak aardbevingen, meestal kleine, maar soms ook grote. Nieuw Zeeland bestaat hoofdzakelijk uit twee grote eilanden, het Noordereiland en het Zuidereiland. De hoogste bergen vind je op het Zuidereiland met Mount Cooke als hoogste, ruim 3700 m. Tussen beide eilanden heb je Straat Cooke. Het kost met het veerpont 3½ uur om van het ene eiland naar het andere te varen.
Nieuw Zeeland ligt op het zuidelijk halfrond en dat betekent dat in ons
tentoonstellingsseizoen de kwekers in Nieuw Zeeland hun broedseizoen hebben, en andersom. De geografische positie van Nieuw Zeeland op het zuidelijk halfrond komt aardig overeen met dat van Italië op het noordelijk halfrond. Uiteraard met het verschil dat naarmate je meer naar het noorden van Nieuw Zeeland gaat het klimaat steeds warmer wordt.
Van beide eilanden kent het Noordereiland de meeste dicht bevolkte regio’s zoals Auckland, Hamilton en de hoofdstad Wellington. Karl Hansen woont in Hamilton, een stad op het Noordereiland, met ca. 150.000 inwoners.

Kaartje van Nieuw Zeeland met op het Noordereiland onderstreept Hamilton, de woonplaats van Karl Hansen, en op het Zuidereiland Christchurch, de plaats waar de tentoonstelling werd gehouden en waar Karl naar toe is geweest. Voor hem was het met het vliegtuig een vlucht van 90 minuten

Karl draait er zijn hand niet voor om het vliegtuig te pakken om een vogeltentoonstelling te bezoeken. Zo ging hij afgelopen voorjaar naar een grote vogeltentoonstelling in Christchurch. Christchurch is de grootste stad op het Zuidereiland en heeft ca. 380.000 inwoners. Voor Karl betekende dit een vlucht van 90 minuten. Na twee dagen Christchurch om de vogelshow te bezoeken, bleef hij nog drie dagen op het Zuidereiland voor familiebezoek. Tijdens het bezoek aan de vogeltentoonstelling maakte hij de hierbij afgedrukte foto’s van de wedstrijd voor zangkanaries.

Een selfie van Karl Hansen

Andere harzers en het andere ‘mooi’
In Nieuw Zeeland kent men geen waterslagers en een zangkanarie is daar dus per definitie een ‘Roller Canary’, een harzer. De kweek met harzers in Nieuw Zeeland is geïntroduceerd vanuit het Verenigd Koninkrijk. De Nieuw Zeelandse harzers stammen dus af van Britse vogels, die naar het zuidelijk halfrond zijn gebracht, toen dat nog kon.
Het in- en uitvoeren van vogels in Nieuw Zeeland is namelijk vergelijkbaar met Australië, vrijwel onmogelijk dus. Uitwisseling van kweekmateriaal over de grenzen is er daarom nauwelijks. Omdat de Nieuw Zeelandse harzerkwekers het al decennialang moeten doen met het interne vogelbestand is het lied van Nieuw Zeelandse harzers daarom niet te vergelijken met de huidige harzers in Nederland. Men hanteert daarom in Nieuw Zeeland ook heel andere normen omtrent het ideale lied van een harzer dan op het Europese continent. De Nieuw Zeelandse harzers laten ons mogelijk horen hoe harzers in de eerste helft van de vorige eeuw in Europa zongen. Het zou dan ook best wel eens kunnen dat de van een gevarieerd lied gecharmeerde waterslagerskwekers met veel meer genoegen zullen luisteren naar Nieuw Zeelandse ‘Roller Canaries’, dan naar, bijvoorbeeld, de huidige viertoeren harzers in Nederland. De kampioen, waarvan hierbij een foto is afgedrukt, is voor maar liefst tien toeren bewaardigd. Dat gaat, qua variatie in het lied, al aardig in de richting van de waterslager en sluit ook veel meer aan bij de oorspronkelijke harzerzang.    

Bovenstaande toont eens te meer aan hoe subjectief een begrip als ‘mooi’ is. Het zou ook van misplaatste arrogantie getuigen wanneer ‘Europeanen’ de Nieuw Zeelandse harzers zouden wegzetten als ‘ouderwets’ en ‘niet mooi’; ze zingen ‘anders’ en voor Nieuw Zeelanders ‘mooi’. Wat je de Nieuw Zeelanders wel kan meegeven is dat zij, wellicht noodgedwongen, trouw zijn gebleven aan de ‘roots’ van het harzerlied en dat kun je van de ‘Europeanen‘ niet zeggen. Die hebben in de loop van de vorige eeuw hun oren laten hangen naar voor-aanstaande (Duitse) harzerkwekers, die voor anderen wel even zouden bepalen wat ‘mooi’ en ‘niet mooi’ is. De invloed van deze ‘kopstukken’ heeft er niet alleen toe geleid dat wat zij ‘mooi’ vonden inmiddels door de goegemeente als ‘mooi’ wordt ervaren, maar bovendien tot algemeen geaccepteerde (internationale) norm is verheven. Bovendien valt niet uit te sluiten dat zij hiermee niet alleen hun prijzenkast en, wellicht nog belangrijker, ook hun zakken hebben kunnen vullen. De vraag mag je dan ook stellen of de veranderingen in het lied van de Europese harzer het gevolg is geweest van het streven naar ‘mooier’, of dat, ten diepste, het spekken van de bankrekening van enkele vooraanstaande kwekers het aanvankelijk beoogde doel was. We mogen in dit verband namelijk niet vergeten dat de Duitse (harzer)zangkanariekweek een lange commerciële traditie heeft en niet zozeer uit liefhebberij, maar veeleer door haar functie als (neven)inkomstenbron groot is geworden.

De ‘Roller Canary’ kampioen van Christchurch in 2024

Zangwedstrijden in Nieuw Zeeland
De kweek met harzers is in Nieuw Zeeland geïntroduceerd vanuit het Verenigd Koninkrijk. Dat heeft heel andere gebruiken wat betreft de wedstrijden voor zangkanaries dan op het Europese vasteland, waar de Duitse invloeden volop zicht- en hoorbaar zijn. Grote verschillen zijn de wedstrijdkooien en de keurlijsten aan de hand waarvan de vogels worden beoordeeld. Een wedstrijd voor ‘Roller Canaries’, dus harzers, in Nieuw Zeeland levert daarom plaatjes op die voor ons, in Nederland, volkomen onbekend zijn. Om onze blik op onze sport wat te verruimen leek het me wel leuk op een zangkanariewedstrijd in Nieuw Zeeland geschoten foto’s, die Karl me mailde, te laten zien. Van Karl kreeg ik, desgevraagd, ook aanvullende informatie.
Karl mailde me hoe een wedstrijd, normaliter, in z’n werk gaat. De foto’s zijn genomen op een vogeltentoonstelling in Christchurch, op het Zuidereiland. De ‘nationale’ kleuren van Christchurch zijn rood en zwart en dat kan je zien aan de kleuren van de kampioensrozetten.

Op de ene foto zien we een gedeelte van een stelling met kooien met ‘Roller Canaries’. De zangkooien, van het Britse type wedstrijdkooi, zijn kistvormig en hebben qua formaat iets weg van onze universeelkooi, terwijl de kleur, waarin de binnenkant van de kooi is beschilderd, me doet denken aan de kleur van de binnenkant van de speciale kooien voor kleurkanaries uit de tijd dat ik voor het eerst met de vogelsport kennis maakte, dus beginjaren ’70.
De Britse zangkooi, die dus ook in Nieuw Zeeland wordt gebruikt, heeft aan de voorzijde, voor het frontje, naar links en rechts openklappende deurtjes. Aan de zijkant bevindt zich, zoals bij onze universeelkooi, een deurtje waardoor de vogel de kooi in kan of er uit gehaald kan worden. In de achterzijde zit een rond gaatje, ter grootte van een 2 euro muntstuk/oude rijksdaalder. Hierdoor moet het licht naar binnen komen waarbij de vogel, met gesloten deurtjes, toch zijn zaad en water kan vinden. Op de stelling staan kooien met geopende deurtjes en ook waarvan de deurtje dicht zijn en waarachter de vogel zich in het duister bevindt.
De foto’s zijn genomen op een wedstrijd van de Christchurch Bird Club waarvoor, naast ‘Roller Canaries’, ook andere vogels werden ingezonden: grasparkieten, kromsnavels, kleur- en postuurkanaries en tropische vogels
.
Ik heb de indruk dat de wedstrijd voor harzers werd georganiseerd door de New Zealand Roller Canary Club, die zich bij de wedstrijd van de Christ-church Bird Club heeft gevoegd.

De harzerkeurmeester op de wedstrijd in Christchurch was afkomstig uit Featherston, een plaatsje ten noorden van Wellington op het Noordereiland. Hij had een aardige trip voor de boeg om op de wedstrijdlocatie te komen  De afstand van zijn woonplaats naar Christchurch was over de weg bijna 500 km. Met de auto een ritje van 9 ½ uur, zonder pauze, maar inclusief een overtocht met het veerpont van het Noorder- naar het Zuidereiland. Ik zie onze penningmeester Piet Hagenaars al rekenen: heen en terug is 2 x 500 x € 0,30 = € 300,00  reiskostendeclaratie, exclusief bijkomende kosten van veerpont, overnachtingen, maaltijden, enz. De keurmeester uit Featherston had ook de mogelijkheid om met de auto naar Wellington te rijden en dan naar Christchurch te vliegen, een vlucht van nog geen uur. Hoe dan ook, afstanden zijn in Nieuw Zeeland van een heel andere orde dan bij ons: Krien Onderwater kwam dit jaar voor zijn keuring bij de NZHU op de fiets …...

De vogels worden op vrijdagavond ingekooid. De zangkanaries worden in een aparte ruimte geplaatst, met de deurtjes dicht. De keuring van alle vogels vindt plaats op zaterdagmorgen.
Sommige harzerkeurmeesters geven er de voorkeur aan dat een uur voor de keuring de deurtjes worden geopend en de vogel ca. 10 minuten de gelegenheid krijgt om te eten en te drinken. Daarna gaan de deurtjes dicht en is het wachten tot de keuring.
De keurmeester bevindt zich in een afgezonderde ruimte. Op zijn teken worden er door een voordrager drie of vier kooitjes op een tafel voor de keurmeester neergezet. Vervolgens doet de voordrager de deurtjes aan de voorkant van de kooitjes open en de keurmeester begint zijn werk.
De voordrager neemt plaats achterin de ruimte waar gekeurd wordt en krijgt na ca. een kwartier van de keurmeester het teken dat de vogels weg kunnen en er andere voor in de plaats mogen komen. Wanneer dat is gebeurd geeft de keurmeester de keurlijst van de gekeurde vogels aan de voordrager, die, met plakband, de keurlijst aan de binnenkant van het linker deurtje plakt en de kooitjes, met gesloten deurtjes, terugzet op de stelling in de zangafdeling.
Na het bepalen van de einduitslag en de toekenning van de prijzen worden aan de binnenkant van het rechterdeurtje stickers geplakt met de prijzen die door desbetreffende vogel zijn gewonnen.

Wanneer de keuring er op zit worden de kooien uit de zangafdeling overgebracht naar de grote ruimte, waar ook de andere vogels zijn, en daar op een stelling gezet. Zaterdagmiddag om 13.00 u. gaat de vogeltentoonstelling open. Inzenders en publiek kunnen dan tot 17.00 u. de keurresultaten en de vogels bekijken. Zondagmorgen om 09.00 u. gaat de tentoonstellingshal weer open, tot 12.00 u. Hierna volgt het uitkooien, meestal in de volgorde dat wie van ver komt het eerst aan de beurt is. De organisatie van het uitkooien is vergelijkbaar met wat wij gewend zijn bij een grote wedstrijd, zoals de bondskampioenschappen. 

De keurlijst van de ‘Roller Canary’ kampioen van Christchurch.

De Nieuw Zeelandse keurlijst voor een ‘Roller Canary’
Hiervoor kwamen de verschillen in het lied tussen de Nieuw Zeelandse en Europese continentale harzers en de Britse ‘roots’ van de Nieuw Zeelandse harzerkweek al aan de orde. Kijken we naar de keurlijst van de kampioen harzers in Christchurch en vergelijken we die met de keurlijst van harzers die op onze wedstrijden wordt gebruikt dan worden de grote verschillen in zang ook zichtbaar. Niet alleen zijn de per toer toe te kennen punten anders, maar er zijn ook toeren bewaardigd die medio de vorige eeuw nog in het Europese harzerlied voorkwamen, maar daar nu nagenoeg geheel uit zijn verdwenen. We zien dat de kampioen punten heeft gekregen voor waterkloek en waterrol. Waterkloek komt als afzonderlijke rubriek zelfs niet voor op de huidige Nederlandse keurlijst; waterrol wel, maar ‘continentale’ harzerkwekers prefereren zo ‘droog’ mogelijke vogels. ‘Water’ op het harzerlied wordt eerder als onwenselijk dan als wenselijk beschouwd, omdat het de zang ‘vervlakt’ en andere toeren, zoals holrol en knor, daarom minder diep worden gezongen. Ook al geldt de waterrol op het Europese vasteland, nog steeds, als een hoofdtoer in het harzerlied, toch wordt in de kweek geprobeerd het zingen van toeren met wateraccent zoveel mogelijk te voorkomen. De kloeken en kloekenrol, cq. verbonden kloeken, - De Nieuw Zeelandse kampioen heeft ze ook en niet onverdienstelijk. - zijn op dit moment eveneens in bepaalde harzerkringen discutabele, zo niet ongewenste, toeren.

Zowel aan de hand van de keurlijst met waardetoeren, - Let bijvoorbeeld eens op de ‘Deep Bubling Water Tour’. -  als aan de door de kampioen in Christchurch gezongen toeren, zoals de waterkloek en de waterrol, is duidelijk te zien dat het harzerlied zijn oorsprong vindt in de 19e eeuwse nachtegaalzanger. De Nieuw Zeelandse harzer staat dus veel dichter bij het oorspronkelijke harzerlied, dat, gezien de vele watertoeren, en de toeren met een geslagen karakter, zoals de kloekenpartij, aanvankelijk veel meer overeenkomsten vertoonde met het waterslagerlied dan dat van de huidige harzers. Beide hebben immers dezelfde afstamming, met dit verschil dat de waterslager veel dichter bij de bron, het lied van de nachtegaalzanger, is gebleven.

Slot
In dit artikel maakten we een uitstapje naar de andere kant van de wereld. De fascinatie voor het lied van de zangkanarie is hetzelfde; de praktijk waarin de hobby wordt bedreven heel anders. Zoals aangegeven is de zangkanariekweek in Nieuw Zeeland heel sterk beïnvloed door die in het Verenigd Koninkrijk. In Groot Brittannië heeft men in de kweek met ‘Roller Canaries’ en de voor harzers te organiseren wedstrijden zich veel minder van de ont-wikkelingen in Duitsland aangetrokken dan in Nederland. Willen we een idee krijgen van de dagelijkse praktijk van de Nieuw Zeelandse kwekers van ‘Roller Canaries’ dan geven de in Groot Brittannië geschoten filmpjes van wedstrijden voor harzers, volgens Karl Hansen, een aardig beeld. Voor wie er interesse in heeft volgen hier een paar linken naar op You Tube te bekijken filmpjes. 
https://youtu.be/piiUbmtSzrU?si=ZPTBmTAJUNJXZVJL  ;
https://www.youtube.com/watch?v=9blhMhZDOvY , (vanaf 07.00 min.)
https://www.youtube.com/watch?v=Cp0kXx_RjwA (vanaf 04.00 min.)
Zoals je op de filmpjes kunt zien is de kweek van ‘Roller Canaries’ in het Verenigd Koninkrijk ook een ‘oude mannensport’ geworden, die langzamerhand uitsterft.

-0-

 

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

April 2025, 41e jaargang, nr. 2

- In gesprek met … Henny Kling
- Waarom kunnen zangkanaries na de rui anders zingen dan voor de rui?
- Elk nadeel heb z’n voordeel; imitatietalent
 

-0-

IN GESPREK  MET .....  Henny Kling

door Jaap Plokker

Op maandag 6 januari 2025 togen Gerard van Zuijlen en Jaap Plokker naar Wijchen voor een bezoek aan de gebroeders Henny en Willy Kling. In deze editie van ons clubblad een verslag van het bezoek aan Henny Kling.

Maandagmorgen 6 januari 2025 stopte om 08.00 u. Gerard van Zuijlen voor mijn deur. We zouden een bezoek gaan brengen aan Henny en Willy Kling. De broers wonen in het Gelderse Wijchen, vlak bij Nijmegen, dus we hadden een aardige rit voor de boeg. De reis verliep zonder al te veel hindernissen en klokslag 10.00 u. belden we aan bij Henny Kling. Henny deed zelf open en in de huiskamer heette Henny’s echtgenote Dorien ons welkom. We namen plaats aan de tafel en terwijl Dorien Kling voor ons een lekker bakje koffie zette ging ons gesprek van start.

Henny, op welke manier heb je voor brood op de plank gezorgd?
Van huis uit ben ik elektricien. Op een bepaald moment begon het bedrijf waar ik werkte zich ook te specialiseren in apparatuur waarmee op afstand installaties bediend konden worden die gebruikt werden voor de waterbeheersing. Uiteindelijk legde het bedrijf zich hier volledig op toe en ging ik heel Nederland door naar de waterschappen en gemeentes om deze installaties te verkopen, waarna onze technici deze gingen installeren. Ik kwam daarom op onregelmatige tijden thuis. Niet echt goede omstandigheden om vogels te houden, dus.

‘Pauzepraatje’ tijdens de studiedag van de 38e clubkampioenschappen van de NZHU op 4 januari 2025. Vlnr. Andries Gort, Henny Kling, Willy Kling en Tinus Teeuwen.

Op welke manier ben je dan toch in de waterslagerwereld terecht gekomen?
Wij woonden een beetje buiten af. Er was bij ons thuis ruimte genoeg om allerlei soorten dieren te houden. Mijn vader was duivenmelker, fokte honden, we hadden een volière met voornamelijk wildzang, kippen, konijnen. Ik had vijf broers en een zus. Ik ben de oudste. Aanvankelijk ik en later ook mijn jongere broers waren heel druk bezig met al die beesten, vooral met de postduiven: Hokken schoonmaken, voeren, laten vliegen en natuurlijk het spannendst van alles: de wedstijd. Ik ging met mijn vader mee naar de postduivenvereniging om te helpen. Ook mijn oom had postduiven en diens zoon, mijn neef, hielp vaak bij de vereniging. Op een bepaald moment, het zal zo rond 1963 geweest zijn,  hadden ze bestuursleden nodig en toen zei mijn vader tegen het bestuur: dat is een mooi klusjes voor die twee jongens. Uiteindelijk werd ik secretaris van de postduivenvereniging.
Eind jaren ’60, ik was toen secretaris, besloot de vereniging een eigen clubgebouw te gaan bouwen. Naast het perceel waarop we een clubhuis aan het bouwen waren woonde een alleraardigst meisje, ik werd er verliefd op en we zijn getrouwd. Ik woon nu in het huis van mijn schoonouders, naast het clubgebouw van de postduivenvereniging. 
Na ons trouwen ben ik natuurlijk de deur uit gegaan en we zijn ergens in Wijchen in een huurhuis gaan wonen.

De ‘vogelkwekerij’ van Henny Kling, rechts de schuur met de broedkooien en links de schuur met de vluchten.

En gelijk een duivenhok gebouwd natuurlijk…
Nee, daar hadden we de ruimte niet voor, maar ik wilde wel vogels om me heen hebben. Daarmee was ik opgegroeid. Ik heb toen een volière gebouwd, waarin allerlei soorten vogels zaten: kanaries, tropische vogels. Ik heb, bijvoorbeeld, ook gouldamadines gehad.

Maar nog steeds geen waterslagers….
Dat ik serieus waterslagers ben gaan  kweken komt eigenlijk door mijn broer Willy. Willy is met waterslagers begonnen en heeft mij besmet. Van hem heb ik ook mijn eerste kweekvogels gehad. Broer Theo en mijn broer Karel zijn in de duivensport actief gebleven en hebben ze nog steeds. Mijn jongste broer Arnold is bouwaannemer en heeft een gezelschapsvolière. Broer Jan is gaan werken in de geestelijke gehandicaptenzorg en in Noordwijk terecht gekomen, in de dr. mr. Willem van den Berghstichting. Hij heeft daar zijn vrouw ontmoet en woont inmiddels al bijna 40 jaar in Noordwijk. Inmiddels woont hij in een vrijstaand huis aan de Zwarteweg, vlak bij ‘De Berghstichting’, en heeft daar een wijngaard, de Lidrusgaarde. Als we voor de wedstrijd in Katwijk komen zitten we dus op nog geen vijf minuten rijden van het huis van mijn broer. Maar die is te druk met zijn druiven. Hij is de enige van ons die geen vogels meer heeft. 

Je bent dus eigenlijk van huis uit een duivenmelker die min of meer bij toeval in de waterslagerwereld terecht is gekomen. Wat trekt jullie zo in de waterslagers?
Wijchen is heel lang een bolwerk van waterslagers geweest. Als je in Wijchen met zangkanaries begon dan koos je vrijwel automatisch voor waterslagers. Harzers zag je hier niet. Vogelvereniging ‘De Goudvink’ in Wijchen kende in het verleden heel veel leden met waterslagers. Op de tentoonstelling zaten er wel meer dan tweehonderd, alleen van eigen leden. Ook in het plaatsje Nuland, niet ver hier vandaan, aan de andere kant van de Maas, had je veel waterslagerkwekers. Dat is allemaal verleden tijd. In Wijchen zijn er nog drie waterslagerskwekers: mijn broer Willy, ik en nog iemand. Van de vogelvereniging in Nuland ben ik penningmeester geweest. Op een bepaald moment waren er nog zeven leden en hebben we besloten de club op te heffen.
Overal zie je dat vogelverenigingen ophouden te bestaan. Dit geldt ook voor de postduiven. In Wijchen hebben we nog een postduiven- en een vogelvereniging en die krijgen steeds meer een regionale functie, omdat kwekers uit de plaatsen waar de vereniging is opgeheven nu lid in Wijchen worden. Laatst is er nog iemand met waterslagers uit Limburg lid van ‘De Goudvink’ geworden. In december hebben ze in Limburg voor het laatst een wedstrijd voor waterslagers georganiseerd en daarna zichzelf opgeheven. Er is nu in heel Limburg voor de waterslagers helemaal niets meer.

Secretaris van een postduivenvereniging in Wijchen, penningmeester van de vogelclub in Nuland. Heb je wat met bestuurswerk?
Dat kun je wel zeggen. Ik ben marsleider van de plaatselijke wandelverening.
We zetten ieder jaar een ééndaagse en een tweedaagse wandeltocht en een avondvierdaagse uit. Daarnaast ben ik secretaris van Veilig Verkeer, afdeling Wijchen. Wij zorgen bijvoorbeeld dat het verkeersexamen op de basisscholen kan worden gehouden. Verder ben ik bestuurslid en beheerder van het Paschalishonk, een buurthuis, in de wijk Woezik, in Wijchen. Het buurthuis draait helemaal op vrijwilligers en met name het beheer kost me veel tijd. Aan de andere kant komt het de vogelsport ook van pas. Ik ben secretaris van de vogelvereniging ‘de Goudvink’ in Wijchen en we houden niet alleen onze vogeltentoonstelling in het Paschalishonk, maar we hebben daar ook onze opslag en dat is heel praktisch; ook dat ik zowel secretaris als beheerder ben.

Henny Kling in zijn broedafdeling. Achter hem z’n zangkast.

Je bent een druk baasje, dat je nog tijd hebt voor vogels.
Bestuurswerk doe ik al heel lang, zoals ik je vertelde was ik nog niet getrouwd en al secretaris van de postduivenvereniging. Ik vind het niet alleen leuk werk om te doen, maar je maakt je ook nuttig voor de gemeenschap. Verder weten ze je voor een bestuursbaantje ook gemakkelijk te vinden wanneer je in dat wereldje actief bent. Kennelijk kan ik lastig ‘nee’ zeggen. Ik ben in dit opzicht wel anders dan mijn broer Willy. Ik vind dat ik best wel serieus met mijn waterslagers bezig ben, maar niet op de manier zoals Willy. Die let op ieder detail.  Mijn belangstelling, tijd en energie steek ik ook in heel veel zaken die niets met de vogelsport of de eigen vogels te maken hebben. Ik heb de vogels er ook bij en dat is toch anders dan hoe Willy er in staat.

Over je vogels gesproken. Hoe zitten je vogels en wat krijgen ze te eten?
Ik heb in de tuin achter het huis drie schuurtjes. Eén gebruik ik voor berging, één voor de vluchten voor de waterslagers en in de derde staan mijn broedkooien. Ik heb me nu helemaal toegelegd op het kweken van waterslagers, andere vogels heb ik niet meer.
Ik heb 27 broedkooien. Op de bodem strooi ik vloerdekkorrels van het merk Zeopet. Het is een fijngemalen gesteente dat heel goed vocht absorbeert.
Wat betreft het zaad geef ik een gewoon zaadmengsel van Slaats. Als krachtvoer gebruik ik dat van Witte Molen. Je hoeft dat niet rul te maken. Ik geef dat zonder toevoegingen; in het rustseizoen twee keer per week en in de broedtijd natuurlijk iedere dag. Gekiemd zaad geef ik niet.

Hoe bestrijd je de bloedluis?
De vogels krijgen bij mij op geregelde tijden een druppeltje Parasita in de nek. Verder heb je in de zomer veel meer last van luis dan in het vroege voorjaar, want dan is het nog te koud. Ik broed eigenlijk best wel vroeg. Mede omdat ik dan minder last van bloedluis heb.

Wat is vroeg broeden voor jou?
Mijn poppen heb ik vorig week uit de vlucht in de broedkooien gedaan. Ze zijn dus verhuisd naar de schuur met de broedkooien. Ze zitten nu nog met het licht dat ze ook in de vlucht hadden, in de andere schuur: ’s morgens om 09.00 u. gaat het licht aan en om 18.00 u. gaat het uit. Half januari ga ik het licht verlengen en dan kan ik eind februari/ begin maart met de broed beginnen. Meestal zit eind mei mijn broedseizoen er wel op.
 
De 27 broedkooien van Henny Kling. De poppen zitten er al in.

Zijn er voor jou nog vaste gewoontes tijdens het broedseizoen; hoe selecteer je je vogels bijvoorbeeld en hoeveel mannen gebruik je.
Ik houd één man aan voor twee poppen. Eén pop moet dus zelf de jongen grootbrengen. Ik gebruik kunststof nestkasjes die je voor de broedkooi kunt hangen. Daarin maakt de pop in het kommetje een nest. Ik heb nogal last van poppen die de jongen pikken. Niet in het nest, maar als de jongen zijn uitgevlogen trekken ze de staarten uit. Zodra de jongen zijn uitgevlogen hang ik een klein kooitje voor de broedkooi. Daar gaan de jongen in en de pop voert dan door de tralies en kan de staarten niet uittrekken.
Ook gebruik ik altijd jonge poppen. Overjarige poppen gaan allemaal weg. Ik heb dat overgenomen van Willy. Die doet dat ook. Alleen dit jaar ben ik wel genoodzaakt om hiervan af te wijken.

Hoezo?
Ik heb in 2024 een dramatisch kweekseizoen gehad. Ik heb iets meegemaakt wat me nog nooit is overkomen. Het broeden verliep allemaal prima. Ik kreeg jongen, die goed werden gevoerd en er prima uitzagen, maar op het moment dat ze zelf moesten gaan eten deden ze dat niet. Op een bepaald moment stopte de pop met voeren, maar de jongen gingen niet zelf eten en verhongerden. Dit gebeurde niet bij een enkel nestje, maar bij vrijwel alle vogels. Ik heb dus maar een handvol jongen groot gekregen. Ik heb daarom geen jonge poppen van mezelf. Alle overjarige poppen heb ik dus aangehouden en van Willy een aantal poppen gekregen. Ik heb nu ook maar 20 kweekpoppen, terwijl ik 27 broedkooien heb.
Ik heb me suf gepiekerd wat de oorzaak zou kunnen zijn, maar ik kan echt niets bedenken. Ik kan me ook niet heugen dat ik iets anders heb gedaan dan voorheen.  Ik heb vorig jaar poppen verkocht en die hebben bij de nieuwe eigenaar gewoon gebroed en de jongen zijn zelfstandig geworden. Het moet dus iets zijn in mijn hok en wat ik doe, maar wat? Ik heb de boel grondig schoongemaakt en beide schuurtjes uitgerookt. Het broedseizoen 2025 wordt voor mij dus echt wel spannend of ik opnieuw met hetzelfde probleem geconfronteerd word.

Dat is inderdaad vervelend én spannend. Ik hoor trouwens de laatste jaren bij ons de buurt best wel veel ervaringen waarbij kwekers geen jongen op stok krijgen of in de loop van het seizoen hun hele vogelbestand verliezen.
Dat is hier in de buurt niet anders. Ook in het oosten zijn er kwekers met een totaal verloren kweekseizoen en ze weten niet waar de oorzaak ligt.

Even wat anders. Wat spreekt jou zo aan in de kweek van waterslagers?
Zoals ik je al zei was het in Wijchen eigenlijk een automatisme dat, wanneer je belangstelling had voor zangkanaries, je met waterslagers begon. Eenmaal in de wereld van de zangkanaries kom je ook in aanraking met harzers, maar dat lied spreekt me niet aan. Ik vind dat je een zangkanarie moet kunnen horen. Je hebt ook waterslagerkwekers met vogels die een heel zacht en golvend lied hebben. Dat heeft ook niet mijn voorkeur. Een waterslager mag best wel een krachtig lied laten horen. Ik heb daarom eerder een voorkeur voor vogels die richting de slagvogels gaan dan naar, bijvoorbeeld, die echte Belgische waterslagers. Een waterslager moet natuurlijk goed waterwerk hebben, maar ik vind een goed binnenlied minstens zo belangrijk, want dat maakt het lied van de waterslager zo gevarieerd en voor mij dus aantrekkelijk.
Ik heb ook andere vogels gehad en dan lag de focus vooral op het broedseizoen. Daarna was er niet veel meer. Met de zang heb je het hele jaar door iets anders. Het is altijd weer spannend hoe je vogels op zang komen en wat ze laten horen. Daarna komt half oktober het opkooien, het africhten en in de week voor Sint Nicolaas de wedstrijd in Wijchen. Na de wedstrijden begin ik al aan de voorbereidingen voor het volgende broedseizoen. Je bent het hele jaar intensief met je vogels bezig en dat spreekt me vooral aan in de zangkanariekweek.

Henny Kling en Gerard van Zuijlen in de schuur met de vluchten. Hier zitten nog de kweekmannen.

Inmiddels was het kwart voor twaalf geworden en dus hoog tijd om ook Henny’s vogelverblijven te gaan bewonderen en wat foto’s te nemen. We begonnen in de schuur met de broedkooien. Hier bleek dat Henny deze ruimte ook gebruikt om zijn mannen op te kooien, want achter een gordijn stonden de zangkooitjes, die dit jaar dus niet gebruik waren. Vervolgens gingen we naar de andere schuur. Hierin stonden drie metalen vluchten, twee
grote en een kleine, die Henny uit elkaar kan halen en ze buiten kan schoonspuiten. Eén grote vlucht was leeg. Hierin hadden de poppen gezeten, die de week daarvoor naar de andere schuur waren verkast. In de andere grote vlucht zaten de mannen. Achterin tegen de muur had Henny langwerpige kunststof platen met op elk vier zitstokjes onder elkaar en verder in de vlucht één lange zitstok. De kleine vlucht was ook leeg en gebruikt Henny in de broedtijd om zijn kweekmannen in te huisvesten. Nadat Henny nog een voorzetkooitje had laten zien, dat hij voor de broedkooi hangt en waarin hij de pas uitgevlogen jongen zet, gingen we terug naar de huiskamer waar Dorien Kling inmiddels de tafel had gedekt en we konden aanschuiven voor de lunch.
Nadat we onze magen hadden gevuld met lekkere broodjes met beleg was het inmiddels 13.00 u. geweest en hoog tijd om afscheid te nemen van Henny en Dorien en op weg te gaan naar broer Willy. Met dank voor de gastvrijheid en de goede verzorging van eten en drinken namen we afscheid en vervolgden we ons verblijf in Wijchen voor een bezoek aan Willy Kling. Maar daarover een volgende keer.
 
Henny met een voorzetkooitje om voor de broedkooi te hangen en de nog te voeren jongen in te zetten, die dan niet gepikt kunnen worden.

-0-

Waarom kunnen zangkanaries na de rui anders zingen dan voor de rui?

 door Jaap Plokker

Ook wel eens de ervaring gehad dat een aangekochte vogel in jouw vogelverblijf zijn lied verandert? In de afgelopen jaren is dit verschijnsel in artikelen in ons clubblad diverse malen zijdelings ter sprake gekomen. In dit artikel staat dit fenomeen centraal.

Afgelopen jaar werd ik geconfronteerd met enkele gelijksoortige verhalen. Jan de Bruine vertelde me dat hij, vanwege zijn ziekte, begin 2023 al zijn vogels had weggedaan. Een deel ging naar de opkoper, een deel naar een andere kweker. De operatieve ingreep en daaropvolgende therapie hadden het gewenste resultaat waardoor Jan in het najaar van 2023 weer het plan opvatte zangkanaries te gaan kweken. Een aantal van zijn eigen vogels keerden terug op het oude ‘nest’. Toen Jan deze vogels afluisterde verwonderde hij zich over het lied, dat anders was dan toen hij ze wegdeed. Ze hadden nu mooie vormen van watertoeren, die ze daarvoor niet hadden. Jan had zijn eigen vogels beter teruggekregen dan toen ze bij hem vertrokken.
Jan Zonderop deelde vergelijkbare ervaringen met mij, maar dan andersom. Hij had enige jaren geleden geconstateerd dat de fluitenrol in zijn eigen vogels aan het verdwijnen was en had een man aangekocht met uitgesproken fluitenrol, om daarmee deze toer in zijn eigen vogels te versterken. Na verloop van tijd moest Jan constateren dat hij de aangekocht man steeds minder een fluitenrol hoorde zingen met uiteindelijk als resultaat dat de ‘vreemde’ man zich volledig aan Jan’s zangmilieu had aangepast en nauwelijks fluitenrol zong. In het door Jan geschreven artikel ’Opkooien en op zang komen van onze jonge zangkanaries’, in Contactblad 2024-2, verhaalt Jan ook over een eind 2022 aangekochte man, waaruit hij in 2023 mooie jongen had gekweekt, maar wiens oorspronkelijke lied na driekwart jaar bij Jan te hebben vertoefd, nagenoeg was ‘ondergesneeuwd’. Ter ondersteuning van zijn ervaringen had Jan op de afluisterochtend op 23 november 2024 vier overjarige mannen meegenomen: twee aankopen en twee eigen kweek met meer dan 75% ‘vreemd bloed’. Alle van vier verschillende kwekers. Hij zette ze op tafel met de opdracht: ‘Zoek de verschillen’. Hoewel er wel verschillen werden gevonden overheerste toch het gevoel dat hun lied erg veel op elkaar leek.

Verklaringen uit het verleden
Voornoemd fenomeen van een aangekochte mankanarie die een deel van zijn oorspronkelijke lied verliest, of ervaringen van mooie voorzangers, die na verloop van tijd in kwaliteit terugvielen en als voorzanger afgeserveerd moesten worden, zijn van alle tijden. In het verleden heb ik kwekers, en zeker niet de minste, de constatering dat een aangekochte man op den duur zijn oorspronkelijke lied verloor, horen verklaren met de bewering dat deze man afkomstig was uit een niet goed doorgefokte stam: de toeren die hij had verloren zouden genetisch onvoldoende verankerd zijn geweest.
Deze verklaring valt enerzijds in de categorie veronderstellingen die ooit eens door iemand zijn geponeerd en vervolgens het verdere leven als waarheid hadden voortgezet. Anderzijds past deze uitleg ook in de tijd dat kwekers er van overtuigd waren dat zangtoeren onafhankelijke erfelijk overdraagbare factoren waren. Zelf heb ik, decennia geleden, eens een, overigens zeer deskundig, waterslagerkeurmeester, die ook regelmatig in ‘Onze Vogels’ publiceerde en tamelijk overtuigd was van zijn eigen gelijk, horen verklaren dat het feit dat niet al mijn waterslagers fluitenrol zongen werd veroorzaakt doordat de fluitenrol een recessief verervende zangtoer was. We weten inmiddels uit wetenschappelijk onderzoek dat voornoemde opvatting tot de fabeltjes behoort.

Wetenschappelijke kijk op het fenomeen
Dat kanaries in de loop van hun volwassenheid hun lied kunnen veranderen is ook tijdens wetenschappelijke experimenten gebleken. Een zangkanarie wordt dan ook gerangschikt in de categorie ‘open ended vocal learners’; een wetenschappelijke term voor de groep zangvogels waarvan het lied bij het bereiken van de volwassenheid niet definitief vastligt, maar die gedurende hun gehele leven hun lied kunnen wijzigen. De intrigerende vraag was welk mechanisme dit mogelijk maakt. In het artikel ‘Een leven lang leren en vergeten; de zangkanarie als een ‘open ended vocal learner’, in Contactblad 2024-2, konden we lezen dat de aan de Rockefeller University te New York verbonden Fernando Nottebohm zich in dit vraagstuk had vastgebeten en tot opmerkelijke ontdekkingen was gekomen. De oorzaak van onze constatering dat overjarige kanariemannen hun lied veranderen vond hij in het brein van de kanarie, meer in het bijzonder in de kernen in de hersenen die het zangmechanisme reguleren.
Dat Jan de Bruine zijn eigen mannen terug kreeg met een ander lied en de door Jan Zonderop aangekochte vogels in zijn vogelverblijf hun oorspronkelijke lied verloren, heeft in de eerste plaats een neurologische oorzaak en dus weinig te maken met afstamming uit een niet goed doorgefokte zangstam.  

Hersenen van een kanarie met de kernen en de verbindingen in de hersenen die de zangontwikkeling en het zingen reguleren.

Verklaringen vanuit de wetenschap
Het is niet de bedoeling dat voornoemd artikel in Contactblad 2024-2 hier herhaald wordt, maar voor het vervolg is het wel van belang dat e.e.a. glashelder is.
Internationale wetenschappelijke literatuur verdeelt de periode waarin jonge kanariemannen hun zang ontwikkelen in verschillende fases, t.w. die van de
A - Subsong (het sublied);
B - Plastic song (het plastisch lied);
C - Stable song (het stabiele lied).
De fase van het sublied kunnen we ook wel typeren als de ‘frazelfase’. De vogels komen nog niet veel verder dan wat ‘gebrabbel’. In de fase van het plastische lied heeft het lied nog geen vaste vorm aangenomen; het is nog ‘kneedbaar’. In deze fase is er sprake van een onsamenhangend lied waarin afzonderlijke toeren te bespeuren zijn, maar de lettergrepen worden nog niet stabiel gezongen en de toeren worden nog niet in een verbindend geheel aan elkaar gevoegd. Het stabiele lied, tenslotte, kenmerkt zich door duidelijk herkenbare toeren die onderscheidend in kwaliteit zijn bij de afzonderlijke vogels en merendeels worden gezongen in vaste patronen. Een kanarieman bereikt de fase van het stabiele lied ongeveer acht maanden na de geboorte.

Het hele proces van zingen en zangontwikkeling van een kanarie wordt aangestuurd in de hersenen, met name vanuit de kern die de naam HVC (High Vocal Centre) heeft gekregen. Vanaf het moment dat de jonge kanarieman begint met studeren groeit in de hersenen ook de omvang van het HVC. Het HVC bereikt zijn maximaal grootte wanneer de kanarieman zijn stabiele lied heeft bereikt. In het artikel in Contactblad 2024 zagen we dat onderzoek naar de ontwikkelingen omtrent het HVC in de hersenpan van overjarige kanariemannen, door onder meer Fernando Nottebohm en John Kirn, hebben geleid tot het inzicht dat in het HVC het hele jaar door cellen sterven en cellen worden geboren. Dit gebeurt niet gelijkmatig maar met pieken en dalen. De grootste piek van celsterfte is in augustus en ook in januari-februari is een klein sterftepiekje geconstateerd.
Op een periode van bovengemiddelde celsterfte volgt een periode van bovengemiddelde celgroei, t.w, in de nazomer, doorlopend naar het vroege najaar, en in maart. Waarbij opgemerkt moet worden dat wederom de celgroei in het HVC in de nazomer en vroege najaar vele malen groter is dan in maart.
Gelijktijdig met de fluctuaties in de omvang van het HVC in de hersenen van de overjarige kanarieman gebeurt er ook iets met de zang. Wanneer er in het HVC een bovengemiddelde celsterfte optreedt, en qua omvang kleiner wordt, verliest de kanarieman ook zijn stabiele lied. In augustus is de krimp zo groot dat het HVC een omvang bereikt van een jonge kanarie van 3-4 maanden oud. De overjarige man zingt dan ook als een vogel van 3-4 maanden, met een lied dat kenmerken vertoont van het plastische lied. De krimp van het HVC in  de zomer valt min of meer gelijk met de ruiperiode. Ook in januari-februari wordt het kanarielied wat onstabieler, maar de terugval is lang niet zo groot als in augustus.
Als gevolg van de bovengemiddelde geboorte van nieuwe cellen groeit in de nazomer de omvang van het HVC en begint de overjarige man zijn lied weer te ontwikkelen naar het niveau van het stabiele lied. Eigenlijk doorloopt de overjarige kanarieman hetzelfde proces als hij heeft doorgemaakt als de jonge mannen in het najaar, met dit verschil dat het leerproces nu wat sneller gaat. Wanneer de overjarige man zijn nieuwe stabiele lied heeft gevormd blijkt dat te kunnen verschillen van zijn stabiele lied van vóór de zomer-, cq. ruiperiode.

‘Pauzegesprek’ tussen Jan Zonderop (l) en Andries Gort tijdens de studiedag van de 38e clubkampioenschappen van de NZHU op 4 januari 2025.

Verlies en aanleren van nieuwe toeren is kenmerkend voor kanariezang
We gaan er vanuit dat de overjarige man, die na de rui nagenoeg weer van meet af aan zijn lied moet ontwikkelen, in die periode, net als in zijn eerste levensmaanden, ontvankelijk is voor het opnemen van zang uit zijn leefomgeving. Toeren en toervormen die hij niet meer waarneemt vallen weg uit zijn lied, toeren die hij volop om zich heen hoort neemt hij over. Dat Jan Zonderop constateert dat aangekochte mannen zich aan zijn zangmilieu aanpassen is dus verklaarbaar met de natuurlijke cycli wat betreft zangverlies en zangontwikkeling die een ‘open ended vocal learner’, zoals de kanarie, gedurende zijn gehele leven doormaakt. Wanneer de mannen van Jan de Bruine bij de nieuwe eigenaar zijn beland in een zangmilieu met beter waterwerk is het dus, gezien bovenstaande, ook heel verklaarbaar waarom hij zijn mannen in het najaar met beter waterwerk heeft teruggekregen dan ze bij hem hadden

Erfelijke invloeden
Onderzoekers waren niet alleen verbaasd over de verschillen tussen het stabiele lied van de jonge kanarieman en het lied dat hij zong na de eerste volledige rui, maar ook over de constatering dat in het lied van de overjarige man lettergrepen te horen waren die hij nooit in zijn zangmilieu had gehoord. Dit deed de vraag rijzen of in het kanariebrein soms erfelijk doorgeefbare informatie omtrent het kanarielied ligt opgeslagen. Zijn de jonge kanariemannen bij hun zangontwikkeling in de eerste levensmaanden vooral gefocust op het leren van het lied dat hen wordt voorgezongen; op latere leeftijd spelen naast het zangmilieu kennelijk erfelijk overdraagbare factoren ook een rol. Op welke wijze die erfelijkheid functioneert is nog een open boek. Het lijkt er op dat kanarieouders aan hun jongen erfelijke informatie meegeven hoe een kanarie behoort te zingen en uit welk soort lettergrepen het kanarielied dient te bestaan. Het is merkwaardig dat een kanarieman pas op latere leeftijd zich dat kennelijk bewust wordt. Voor de goede orde: we spreken in dit verband over erfelijk overdraagbare, voor het kanarielied kenmerkende, lettergrepen, dus zeker niet  over zangtoeren in een bepaalde kwaliteit.
Wetenschappers constateerden dat het lied van de overjarige man hoe dan ook gevarieerder is dan van een jonge kanarieman die voor de eerste keer zijn stabiele lied heeft bereikt, en hij beschikt op latere leeftijd ook over een veel grotere lettergreeprepertoire dan toen hij acht maanden oud was.
Mogelijk dat dit fenomeen er voor zorgt dat een overjarige kanarieman minder geschikt kan worden voor de voorzang. Van nature breidt een mankanarie gedurende zijn leven zijn lettergreeprepertoire dus uit. Deze verrijking in variatie hoeft echter in de ogen van de zangkanariekweker niet altijd een verbetering te zijn. 

Een huiskamerzanger als proefkonijn
Sinds het overlijden van mijn moeder heb ik voor de gezelligheid in de huiskamer een kanarie in een sierkooi. Op dit moment wordt de kooi bewoond door een kanarieman uit 2021.
Ik had dat jaar vogels met een erg mooie rollende waterslag en een uitermate vlakke, droge klokkende waterslag. Ook de vogel die ik vanaf begin 2022 in de huiskamer nam beschikte over een dergelijk lied. De vogel is bij mij gehuisvest zonder dat hij andere kanariezang of, voor zover ik weet, vogels van buiten kan horen. In de loop van de tijd is zijn lied veranderd. De uitgesproken fraaie rollende waterslag is wat droger geworden en hij komt er nu minder frequent mee dan voorheen. Andere toeren en toervormen, zoals een mooie fluitenrol, leuke knorretjes en fluitjes en ook de vlakke klokkende waterslag, zijn al die tijd min of meer gelijk gebleven.
Ik beschik niet over geluidsopnames van de man uit de eerste maanden van zijn verblijf in de sierkooi, maar gevoelsmatig heb ik de indruk dat in de tijd dat hij mijn huiskamer bewoont zijn lied steeds gevarieerder, complexer, is geworden. Als hij het op zijn heupen heeft verbaas ik me regelmatig over de lengtes van de strofes en hoe hij in zo’n strofe met de toeren en toervormen varieert. Het is in ieder geval geen standaardrepertoire dat hij op zo’n moment afspeelt, het lijkt er eerder op dat hij improviseren tot kunst heeft verheven.
De afgelopen maanden veraste hij me met een toer die hij nog nooit daarvoor had gezongen en ik ook niet herken uit de zang van de vogels in mijn vogelverblijf. Het is een ‘sireneachtig’ toertje die me ook niet doet denken aan een geluid dat hij in huis kan hebben opgevangen. Het is kennelijk ontsproten aan zijn eigen creatieve brein. Geïnspireerd op wat hij van zijn ouders aan kanariezang erfelijk heeft meegekregen?   

De kweekpraktijk
Wat leert bovenstaande ons voor onze kweekpraktijk? Heb niet de illusie dat een man met, in onze ogen, een kwalitatief hoogstaand lied, dat zijn gehele verdere leven behoudt. Dat overjarige mannen hun lied veranderen ligt ingebakken in de aangeboren, voornamelijk neurologische, mechanismen, die aansturen hoe een kanarie zingt en zijn lied ontwikkelt.
We kunnen door de samenstelling van het zangmilieu invloed uitoefenen op het lied dat een overjarige man na de rui zich aanleert. We moeten er echter ook rekening mee houden dat bij een overjarige vogel ‘uit het niets’ toeren en toervormen tevoorschijn komen die vreemd zijn aan het zangmilieu (en waarvan we als zangkanariekweker soms ook niet gediend zijn).
 

De moraal van het verhaal is dat we als zangkanariekwekers veel invloed kunnen uitoefen op het uiteindelijk te zingen kanarielied. Dit geldt in het bijzonder voor het eerste levensjaar, maar naarmate de kanarieman ouder wordt lijken de menselijke mogelijkheden om zijn lied te beïnvloeden kleiner te worden en zal de kanarieman meer zelf bepalen wat en hoe hij zingt. Die gave is hem door de natuur gegeven en daar hebben we als mens, vooralsnog, weinig grip op. 

De kanarieman die vanaf begin 2022 mijn huiskamergenoot is. Hij heeft me sindsdien verbaasd met een complexer wordend lied en nieuwe toeren waarvan ik de oorsprong niet kan thuisbrengen.

-0-

Elk nadeel heb z’n voordeel; imitatietalent

door Jaap Plokker

In de vorige editie van ons clubblad vertelde Jaap Plokker over zijn problematisch verlopen kweekseizoen 2024, waarin hij mede dankzij door collega-kwekers ter beschikking gestelde poppen toch een 30-tal jongen op stok kreeg. Hij ontdekte dat de ‘vreemde’ poppen, die hij voor de kweek had ingezet, veel minder hun jongen plukten dan hij van zijn eigen poppen gewend was. Voor hem was dit een zoveelste aanwijzing dat het verenplukken van poppen bij jongen wel eens erfelijk aan de volgende generatie kan worden doorgegeven en je dit euvel dus structureel zou kunnen bestrijden door poppen die dit gedrag vertonen en haar jongen uit het kweekbestand te elimineren.
Jaap meent, als gevolg van ervaringen in seizoen 2024, waarin hij, noodgedwongen, met veel ‘vreemde’ poppen heeft gekweekt  ook wijzer te zijn geworden omtrent de erfelijkheid van zang en met name het belang van de poppen in de zangkanariekweek. Daarover gaat dit artikel.

In de vijftig jaar dat ik, aanvankelijk samen met m’n vader, waterslagers kweek zijn er bepaalde artikelen die mijn kijk op de zangkanariesport ingrijpend hebben beïnvloed. Ik noem als eerste de discussie in de jaren ’80 over het belang van voorzang. In een periode dat, in navolging van Martin Weijling, de zangkanariekweek vooral vanuit de erfelijkheid van zangtoeren werd benaderd, sloeg de, op Amerikaanse wetenschappelijke onderzoeken gebaseerde, opvatting dat het zangmilieu het uiteindelijke lied van een kanarie bepaalt, in als de spreekwoordelijke bom. Nadat de artikelen van Pie Ramakers in Vogelvreugd waren verschenen, en ik daarop door Ton Diepenhorst werd geattendeerd, was mijn kijk op de zangkanariesport voor altijd radicaal veranderd. Niet alleen had het zangmilieu een voor mij veel prominentere betekenis gekregen, maar ook had ik het belang ontdekt van wetenschappelijk onderzoek en dat dit antwoorden kon geven op vragen waarmee wij in de dagelijkse kweekpraktijk werden geconfronteerd. Overigens heb ik in mijn kweekpraktijk de betekenis van erfelijk overdraagbare factoren in de veredeling van het kanarielied nooit verwaarloosd, alhoewel ik geen enkele notie had op welke wijze en in welke mate die erfelijkheid in de zangkanariekweek precies werkte.

Karl Reich en Hans Dunker
Een vergelijkbaar moment van nieuw inzicht beleefde ik enige jaren geleden toen ik kennis nam van de experimentele kweek van Karl Reich, om harzers als nachtegalen te laten zingen, en het artikel van dr. Hans Duncker in ‘Die Gefiederte Welt’ waarin hij Reich’s succes beschreef en verklaarde. Duncker’s artikel bevestigde voor mij niet alleen het belang van voorzang en het zang-milieu, maar wees me ook in de richting van een mogelijk antwoord op de vraag op welke wijze erfelijkheid in de zangkanariekweek van toepassing is en benut kan worden bij de veredeling van het lied. Achteraf vind ik het verbazingwekkend dat dit in de jaren 1910-1925 door Karl Reich uitgevoerde experiment en de in 1922 door dr. Hans Duncker op schrift gestelde verklarende hypothese over de veredeling van het kanarielied, in kwekerskringen zo lang onbekend is gebleven. Ik hecht bijzonder veel waarde aan het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker en heb dat ook in artikelen in ons clubblad en in ‘Onze Vogels’ laten blijken. Menige vraag over het belang van zowel erfelijkheid als voorzang heb ik kunnen beantwoorden met de hypothese die door Hans Duncker in zijn artikel in ‘Die Gefiederte Welt’ in 1922 werd geponeerd.
Mij intrigeert natuurlijk de vraag in hoeverre het kweekconcept dat geleid heeft tot de als nachtegalen zingende harzers van Karl Reich ook toepasbaar is in mijn kweek met waterslagers. Kan ik volgens het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker een stam waterslagers opbouwen die beschikt over een goed lied, dat niet alleen stabiel blijft, maar zelfs kwalitatief beter wordt? Ik heb besloten me aan deze uitdaging te wagen en de praktijk zal moeten uitwijzen of het een verstandige keuze is geweest. Overigens zal mijn kweekmethode hierdoor niet radicaal veranderen, want ik hield altijd al rekening met het belang van zowel erfelijkheid als het zangmilieu, maar in mijn selectie- en kweekbeleid zal ik wel bepaalde andere accenten moeten leggen. Ik zal, bijvoorbeeld, veel gestructureerder moeten kijken naar de mogelijke erfelijke inbreng van de poppen en meer moeten denken in ‘gezinnen’ dan in ‘individuen’.
Karl Reich en Hans Duncker gingen er ruim honderd jaar geleden al vanuit dat bij de veredeling van kanariezang zowel erfelijkheid als zangmilieu een cruciale rol spelen. De erfelijkheid heeft, volgens hen, geen betrekking op de overerfbaarheid van afzonderlijke zangtoeren, maar op het talent om bepaalde voorzang te kunnen imiteren. Het veredelen van de zang van je zangkanaries doe je door steeds een zo optimaal mogelijk zangmilieu te creëren en  kweekvogels, zowel mannen als poppen, te selecteren die het beste in staat zijn dat zangmilieu te imiteren. Om zicht te krijgen op de erfelijke aanleg van de kweekpoppen is het essentieel dat je grote gezinnen kweekt waardoor je de poppen kan selecteren op de kwaliteit van de broers. Dit betekent dat je in je kweekplan niet probeert jonge vogels te kweken uit zoveel mogelijk combinaties, maar van een beperkt aantal combinaties zoveel mogelijk jongen. Het inzetten van pleegmoeders is hiervoor welhaast onvermijdelijk. Ik had in de loop van 2023 besloten in 2024 volgens dit concept aan de slag te gaan.

‘Pauzegesprek’ tussen vlnr. André Toet, Gerard de Brabander en Jan Zonderop tijdens de studiedag van de 38e clubkampioenschappen van de NZHU op 4 januari 2025.

Plannen
In 2021 had ik bij Jan Zonderop twee mannen gekocht met een mooie klokkende waterslag. Mijn vogels vond ik behoorlijk compleet, alleen ontbrak het aan een acceptabele klok en dat hoopte ik met de vogels van Jan te verbeteren. In de jaren daarvoor was het me bij herhaling niet gelukt met de aanschaf van een man met een goede klok deze toer in een redelijke kwaliteit in mijn stam te kweken en, vooral, te houden. Van de twee mannen van Jan zou er uiteindelijk één een heel belangrijke stamvader van mijn huidige zangstam worden. In kwekersjargon zou je kunnen stellen dat de man van Jan en mijn poppen elkaar ‘pakten’. In 2022 kweekte ik namelijk uit deze man een paar leuke vogels. In 2023 kweekte ik uit deze man en z’n jongen uit 2022 met succes jonge mannen met een lied dat me kon bekoren. De stam uit deze vogels werd tweede bij de NZHU met 589 pnt. Ik besloot uit deze vogels het voor mij best mogelijke zangmilieu samen te stellen. Centraal zou een jonge man uit 2023 moeten staan. Ik vond hem mijn mooiste vogel en had op de wedstrijd van de NZHU met hem ook de derby-prijs gewonnen. Voor mij was het bijzonder gunstig dat dit een ijverig zingende vogel betrof en zowel in het voorjaar van 2024 als ook na de rui volop heeft gezongen. Zijn lied is inmiddels iets veranderd, maar z’n klokkende en rollende waterslag is nog steeds prima.
Met de voor het zangmilieu geselecteerde vogels, hun ouders en al hun zussen als basis besloot ik, volgens het concept van Reich en Duncker, een kweekplan voor 2024 op te zetten. Verder hanteerde ik ook het verenpikken en het leggen van legsels van minstens vier eieren als selectiecriterium voor mijn poppen. Sommige combinaties kregen het etiketje ‘prioriteit’, omdat dit, volgens het Reich/Duncker concept, veelbelovende kweekkoppels zouden moeten zijn. Dus koppels waarin het kunnen imiteren van mijn zangmilieu het meest erfelijk zou moeten zijn verankerd. Dit betekende dat ik van deze koppels zoveel mogelijk jongen wilde en dus pleegmoeders zou inschakelen voor het uitbroeden en grootbrengen van hun jongen. Tot zover de plannen.

Kweekresultaten in 2024
Zoals ik al eerder memoreerde is van m’n kweekvoornemens voor 2024 nagenoeg niets terecht gekomen, omdat het overgrote deel van mijn poppen bij de aanvang van het kweekseizoen in de rui was. Van slechts één koppel met een prioriteitssticker heb ik jongen gehad. Daarvoor heb ik ook een pleegmoeder ingeschakeld en uiteindelijk van dit koppel zes jongen op stok gekregen: vier mannen en twee poppen. Van een ander prioriteitskoppel was de pop in de rui en die heb ik vervangen door een zus. Van dit koppel kwamen slechts drie jongen op stok: twee mannen en een pop. Gelukkig kon ik van collega-kwekers poppen betrekken die zij niet meer nodig hadden. Van de uiteindelijk dertig door mij gekweekte jonge vogels waren er twaalf, vijf poppen en zeven mannen, afkomstig uit mijn eigen bloedlijn. Het merendeel van de jongen was dus afkomstig van ‘vreemde’ poppen, die ik aan een man van mezelf had gekoppeld. Om voor mij nog duistere redenen waren mijn mannen namelijk niet in de rui. Deze kweekmannen waren op een of andere wijze genetisch sterk aan elkaar verwant: vader, broers, halfbroers.

Praktijktest
Mijn zeventien jonge mannen kwamen in het najaar van 2024 traag door de rui en vertoonden in november nog volop studiezang. In de loop van december was het toch mogelijk me een beeld te vormen omtrent hun kwaliteit. Alle jonge mannen waren in hetzelfde zangmilieu opgegroeid. Zoals ik al aangaf werd dit zangmilieu gedomineerd door de ijverig zingende derbywinnaar van de NZHU-wedstrijd. De zeventien jonge mannen waren afkomstig van tien verschillende poppen, waarvan zeven met ‘vreemd’ bloed. Ik was razend benieuwd in hoeverre de mannen uit de ‘vreemde’ poppen ook in staat waren geweest de zang van mijn zangmilieu te imiteren. Kon ik in de globale kwaliteit van de jonge mannen een onderscheid ontdekken tussen de mannen uit de eigen bloedlijn en die van de ‘vreemde’ poppen? Het, noodgedwongen, kweken met relatief veel poppen met ‘vreemd’ bloed, en ook nog van drie verschillende kwekers, had me namelijk een unieke kans gegeven om hieromtrent meer te weten te komen. Zou ik dit onderscheid niet kunnen maken, dan stond het concept van Karl Reich en Hans Duncker namelijk op losse schroeven.

Verschillen tussen ‘eigen’ en ‘vreemde’ vogels
Reich had in het tweede decennium van de vorige eeuw al ontdekt dat niet alle jonge kanariemannen in staat waren geweest de zang van nachtegalen even goed te kunnen imiteren. Er waren gezinnen waarvan jonge mannen de nachtegaalzang redelijk tot goed imiteerden en gezinnen waarvan jonge mannen er niets van bakten, ondanks dat ze allemaal dezelfde voorzang hadden gehad. Door steeds te kweken met de gezinnen waarvan de jonge mannen het best nachtegaalzang imiteerden bouwde hij een stam op waarin het percentage ‘minkukels’ steeds minder werd.
Hoe zou dit bij mij uitpakken? Beschikten de ‘vreemde’ poppen over hetzelfde imitatietalent als mijn eigen vogels en waren mijn mooiste vogels wel of niet tot bepaalde bloedlijnen/kwekers te herleiden? Kwamen er relatief veel ‘minkukels’ uit mijn eigen bloedlijn of vooral uit de ‘vreemde’ poppen?
Om de zekerheid op bevruchte eieren te vergroten had ik op het einde van het broedseizoen 2024 bepaalde poppen meerdere mannen gegeven. Van de uit deze combinaties gekweekte twee mannen en vijf poppen heb ik geen administratie bijgehouden en weet ik hun afstamming dus niet. Uit een, via Krien Onderwater verkregen, van Rob Bisschops afkomstige, pop kweekte ik twee mannen en één pop, van twee van Gerard de Brabander afkomstige poppen kreeg ik twee mannen en een pop en uit drie van Krien Onderwater afkomstige poppen trok ik vier mannen en één pop.
Zonder naar afstamming te kijken heb ik, louter op hun zang, mijn jonge mannen in december beoordeeld en voor de wedstrijd van de NZHU geselecteerd. Uit mijn, gecombineerd, mooiste en ijverigste zangers vormde ik een stam; de, qua zangkwaliteit, daarop volgende vier vogels heb ik in de stellen gezet.
Toen ik de afstamming van mijn acht beste vogels bekeek kwam ik tot een opmerkelijke ontdekking. Van de in 2024 door mij gekweekte zeventien mannen waren van de beste acht jonge mannen er zes afkomstig uit mij eigen bloedlijn en twee van ‘vreemde’ poppen. Van het door mij met ‘prioriteit’ gemerkte koppel zaten alle vier de mannen bij de beste acht vogels; twee in de stam en twee in de stellen. Redenerend vanuit het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker kon ik twee conclusies trekken. Het koppel dat ik op, verondersteld, imitatietalent had samengesteld bleek in overgrote meerderheid jonge mannen voort te brengen die in staat waren mijn zangmilieu zeer goed te kunnen imiteren. De stam, met één ‘vreemde’ en drie ‘eigen bloed’ vogels, behaalde op de wedstrijd van de NZHU in januari 2025 een 3e prijs met 589 pnt.
Daarentegen beschikten de ’vreemde’ poppen dus kennelijk in meerderheid over onvoldoende talent om mijn zangmilieu goed te kunnen imiteren en konden dat dus ook niet aan hun jongen doorgeven. Het voor mijn zangmilieu vereiste talent moest dus vooral van de man komen en de som van de erfelijke vastgelegde zangtalenten van mijn man en ‘vreemde’ pop was kennelijk onvoldoende om jongen voort te brengen die in staat waren het niveau van de voorzang te evenaren of zelfs maar te benaderen.
Bovenstaande moet niet verkeerd geïnterpreteerd worden. De ‘vreemde’ poppen waren afkomstig van gerenommeerde kwekers, ook prijswinnaars bij de NZHU, en bezaten dus zonder twijfel erfelijk vastgelegde kwaliteiten.
Als verklaring voor het minder succesvol kweken met aangekochte vogels wordt wel eens gegeven dat de zang van de ‘vreemde’ en de ‘eigen’ vogels elkaar niet ‘pakten’. In het concept van Karl Reich en Hans Duncker heeft ‘pakken’ een andere aanduiding gekregen, namelijk ‘imitatietalent’. ‘Niet pakken’ betekent in dit gedachtegoed dat ‘vreemde’ poppen onvoldoende over het specifieke talent beschikken dat vereist is om, in combinatie met de door de man ingebrachte eigenschappen, jonge mannen én poppen voort te brengen die in staat zijn het zangmilieu goed te kunnen imiteren.
In dit verband is het wellicht verhelderend om, nogmaals, op te merken dat Karl Reich in het begin maar uit heel weinig koppels jongen kweekte die in staat waren de nachtgaalzang redelijk te kunnen imiteren. Het voor het kunnen imiteren van nachtegaalzang vereiste talent was dus aanvankelijk in Reich’s vogels behoorlijk dun gezaaid.

Poppen
In ons clubblad 2024-2 schreef ik een artikel onder de titel ‘Krijgen in de zangveredeling zangkanariepoppen wel voldoende aandacht?’ Mede naar aanleiding van het belang dat Karl Reich en Hans Duncker hechtten aan het doorgeven van het erfelijk vastgelegd imitatietalent door de poppen stelde ik de vraag: ‘Doen wij in onze kweekpraktijk recht aan de mogelijkheid dat de intrinsieke zangkwaliteiten van onze jonge kanariemannen mede door de pop wordt bepaald?’ Mijn antwoord was: ‘Het kweken van zangkanaries in Nederland is, mijn inziens, vooral mangericht; de pop lijkt wat betreft de zangvererving eerder bijzaak te zijn, terwijl zowel man als pop zangeigenschappen erfelijk aan de jongen doorgeven. Ik denk dat de meeste zangkanariekwekers in Nederland, in vergelijking tot dat van hun mannen, veel minder onderbouwde notie hebben omtrent de veronderstelde erfelijke zangeigenschappen van hun poppen.’ Het artikel werd vervolgens afgesloten met wederom een vraag: ‘Wordt het geen tijd om bij de veredeling van onze kanariezang de pop de belangrijkheid toe te kennen die ze heeft en we ons meer gaan realiseren dat we voor onze zangveredeling niet alleen mooi zingende vaders, maar we ook op veronderstelde erfelijke zangeigenschappen geselecteerde poppen nodig hebben?’ Omdat ik in 2024 voor een belangrijk deel gebruik heb gemaakt van poppen die niet uit mijn eigen bloedlijn kwamen gaven de kweekresultaten ook enig inzicht omtrent de erfelijke inbreng van de poppen.
Ik heb voor de kweek met zowel de ‘eigen’ als de ‘vreemde’ poppen gebruik gemaakt van dezelfde mannen, alle sterk aan elkaar verwant. We zagen hiervoor dat er een significant verschil was in de kwaliteit tussen de jonge mannen uit de ‘eigen’ en uit de ‘vreemde’  poppen. De enig logische conclusie is dat de bron van dit kwaliteitsverschil gezocht moet worden bij de erfelijke inbreng van de poppen. Oftewel de ‘vreemde’ poppen gaven in meerderheid onvoldoende het erfelijk vastgelegd talent door dat voor de imitatie van mijn zangmilieu vereist was. Of de jonge mannen wel of niet tot de beste acht van 2024 konden worden gerekend was dus vooral bepaald door de pop. Het belang van de erfelijke aanleg die door de pop wordt doorgegeven kan eigenlijk door deze praktijkervaring niet beter worden aangetoond. Het blijft nog altijd mijn vraag of dit cruciale belang van de inbreng van de pop door zangkanariekwekers wel voldoende wordt onderkend, de uitzonderingen daargelaten.

Inteelt
Reich liep tegen het probleem op dat hij met zijn selectiemethode en het kweken binnen gezinnen al snel in de gevarenzone van inteelt belandde. Hij moest daarom op zoek naar vers bloed, maar dat moesten wel vogels zijn met niet al te veel van zijn stam afwijkende erfelijke eigenschappen. Wie anno nu volgens de methode Reich zou willen kweken loopt dus tegen hetzelfde probleem op. Uit koppels ‘eigen’ man met ‘vreemde’ pop kreeg ik uit combinaties met twee poppen van Krien Onderwater twee mannen die prima tussen mijn vogels pasten. De derde pop van Krien bracht kwalitatief mindere mannen voort. Helaas was de man uit de ene combinatie ‘enig kind’. De andere man had een, een zus en een, kwalitatief mindere, broer. Wanneer ik op zoek zou zijn naar ‘nieuw’ bloed zou ik uit deze twee combinaties ‘vers’ kweekmateriaal kunnen fokken, want kennelijk beschikten deze twee poppen van Krien ook over een acceptabel percentage van voor mijn zangmilieu gewenste erfelijke (imitatie)eigenschappen.
Dit voorbeeld toont aan dat met behulp van proefparingen met ‘vreemde’ poppen geschikte ‘bloedverversing’ gevonden kan worden. In mijn geval betrof het dus twee van de drie poppen van dezelfde kweker, terwijl de poppen van de andere kwekers niet voor bloedverversing in aanmerking zouden zijn gekomen, omdat hun erfelijk vastgelegd imitatietalent niet aansloot op mijn zangmilieu.

Slot
Het feit dat de meeste van mijn kweekpoppen aan het begin van het broedseizoen in 2024 in de rui zaten en ik van diverse kwekers de gelegenheid kreeg om hun poppen te gebruiken, maakte een experiment mogelijk dat anders wellicht nooit door mij was ondernomen. Ik kon aan de hand van mijn kweekpraktijk de geloofwaardigheid testen van het kweekconcept op basis van het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker. In bovenstaande heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat ik in 2024 eerder bevestigd ben in hun gelijk dan in het tegendeel. Ook ben ik door de ervaringen in 2024 bevestigd in de stelling dat poppen een essentiële inbreng hebben voor zangveredeling.
Het door mij als een ‘verloren’ kweekseizoen beschouwde 2024, heeft me in ieder geval geleerd dat het traject dat ik in 2023 had ingezet, om mijn toekomstig kweekconcept te baseren op het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker, vooralsnog, geen verkeerde keuze is geweest. Zo blijkt maar weer eens: ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’.

-0-

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

Oktober 2025, 41e jaargang, nr. 3
- In gesprek met … Willy Kling
- Bijten klokken en tjokken elkaar

-0-

IN GESPREK  MET .....  Willy Kling

door Jaap Plokker

Op maandag 6 januari 2025 togen Gerard van Zuijlen en Jaap Plokker naar Wijchen voor een bezoek aan de gebroeders Henny en Willy Kling. In deze editie van ons clubblad een verslag van het bezoek aan Willy Kling.

Maandagmorgen 6 januari 2025 stopte om 08.00 u. Gerard van Zuijlen voor mijn deur. We zouden een bezoek gaan brengen aan Henny en Willy Kling. De broers wonen in het Gelderse Wijchen, vlak bij Nijmegen, dus we hadden een aardige rit voor de boeg. De reis verliep zonder al te veel hindernissen en klokslag 10.00 u. belden we aan bij Henny Kling. Van het bezoek aan Henny stond de vorige keer al een verslag in ons clubblad.
Nadat we ca. 13.15 u. afscheid hadden genomen van Henny en Dorien Kling reden we naar het huis van Willy, met de auto ruim vijf minuten. Vóór 13.00 u. konden we bij Willy namelijk niet terecht. Op maandagmorgen heeft hij verplichtingen. Het gezin van Willy heeft een dochter en zus op veel te jonge leeftijd verloren. Willy helpt op maandag met het onderhoud van het kerkhof waar ook zijn dochter is begraven; heel betekenisvol vrijwilligerswerk.
Toen we de wijk inreden waar Willy woont kwamen we er achter waarom Willy een huisnummer heeft van boven de 8000: De hele wijk heeft als adres Kraayenberg. We konden vlak voor de deur parkeren. Willy deed zelf open en in de huiskamer heette Willy’s echtgenote Diny ons welkom. We namen plaats aan de tafel en staken van wal.

Vorige week bracht je je vogels naar de NZHU en hebben we samen even staan praten bij en over je vervoerkoffers. Ik dacht toen bij mezelf: ‘die Willy heeft ze vast zelf gemaakt en hij heeft zeker geen twee linkerhanden’. Had jij voor je werk twee rechterhanden nodig?
Ik ben m’n hele werkzame leven timmerman geweest en van een timmerman mag je wel verwachten dat hij iets met zijn handen maken kan. Ik heb daar dus ook profijt van in mijn hobby, niet alleen met die vervoerkoffers, maar ook in mijn vogelverblijf is alles precies op maat gemaakt.
Ik heb overigens mijn leven altijd veel en hard gewerkt. Werkdagen van 12 uur waren eerder regel dan uitzondering en dat was geen vijfdaagse, maar een zesdaagse werkweek. Daarnaast heb ik gevoetbald, moest dus trainen en op zondag spelen. Ook trainde ik jeugdelftallen.

Toen had je zeker nog geen vogels.
Dat had je gedacht. Je hebt ongetwijfeld bij broer Henny gehoord dat we thuis allerlei dieren hadden: kippen, honden, konijnen, een volière en ook postdui-ven. Die duivensport was het voor mij helemaal. Ik had mijn eigen duiven en deed mee met wedstrijden. Ik ging daar helemaal in op. Eigenlijk heb ik het duivenmelkershart nooit verloren.
 
Inkooien voor de 38e clubkampioenschappen op 2 januari 2025. Willy Kling geeft zijn waterslagers water. De vogels zitten nog in de vervoerkoffers.

Maar je hebt ze nu niet meer.
Toen ik trouwde, het huis uitging en hier ging wonen was het over met de duivensport. Ik heb hier niet de ruimte en je wilt de buren ook niet tot last zijn. Maar ik wilde wel vogels. Ik heb toen een volière gebouwd. Daarin had ik kleurkanaries en tropische vogels.
Ik heb met Diny een vrouw getroffen die, op de momenten dat ik vanwege m’n werk dit niet kon, de vogels voerde en water gaf.  Verder is het mijn gewoonte om eieren te rapen. Nadat het derde ei is gelegd leg ik ze ’s avonds er weer onder. Vanwege mijn werk was ik niet altijd in de gelegenheid om de eieren te rapen. Ook hier sprong Diny bij. Zij raapte de eieren en legde ze in een plat bakje met raapzaad, legsel bij legsel.
Ik ben wat betreft de hulp van Diny echt spekkoper, zeker als ik wel eens hoor dat sommige vogelkwekers hun vrouw niet altijd mee hebben.

Postduiven, kleurkanaries, tropische vogels, wanneer komen de waterslagers?
In 1996 kreeg ik een hartinfarct, zomaar uit het niets. Ik heb altijd gesport, nooit gerookt en toch overkomt het je. Het zag er aanvankelijk naar uit dat ik de rest van mijn leven arbeidsongeschikt zou zijn en dan moet je toch een dagbesteding hebben. Henk van Hout, de huidige voorzitter van de vogelvereniging ‘De Goudvink’, hier in Wijchen, een parkietenkweker met wie ik bevriend was, en nog steeds overigens, gaf me de tip om waterslagers te gaan kweken en hij regelde voor me dat ik van Wiel Langeslag zes poppen en drie mannen kon kopen. Daarmee kweekte ik 25-30 waterslagers. Als ik de afstamming van mijn huidige vogels na ga dan blijkt dat er nog steeds bloed van Wiel’s vogels in mijn vogels zit.
De tip van Henk om voor waterslagers te kiezen was achteraf helemaal niet zo gek. Zangkanaries kweken doe je het hele jaar; elk seizoen heeft zijn eigen charmes en voor die tijd van het jaar noodzakelijke werkzaamheden. Je bent dus het hele jaar intensief met je hobby in de weer. Verder was Wijchen toen nog een waterslager bolwerk. Heel veel vogelliefhebbers in Wijchen hadden waterslagers. Ik kon dus relatief dicht bij huis aan goed kweekmateriaal komen en ik kwam in Wijchen in een groep kwekers met allemaal dezelfde interesse.
Ik heb me er nooit bij neergelegd dat ik na het hartinfarct de rest van mijn leven als een ‘ínvalide’ zou moeten vervolgen. Soms tegen doktersadvies in ben ik weer aan de slag gegaan. Ik heb daar nooit spijt van gehad. Wel ben ik sinds 1996 nog regelmatig met hartproblemen geconfronteerd geweest. Het komt niet voor in de familie, de oorzaak is raadselachtig, maar het zit in me. De laatste jaren gaat het gelukkig goed. 

Op bezoek bij Willy Kling op 6 januari 2025. Willy en Gerard van Zuijlen voor Willy’s vogelverblijf. Waar verlichting brandt is de afdeling met de vlucht, achter het geblindeerde raam de afdeling waar nu de mannen zijn opgekooid en waar straks de broedkooien komen te staan.

Je hebt dus pas in 1996 je eerste waterslagers aangeschaft. Voor iemand die later met de waterslagersport is begonnen stond je met je vogels relatief snel aan de top. Heb je daar een verklaring voor?
Dat ligt helemaal in de aard van het beestje. Als ik aan iets begin wil ik wel tot de beste behoren. Dat was met de postduiven zo en met de waterslagers idem dito. Ik neem de hobby dan ook heel serieus. Tot in de details moet ik alles perfect voor elkaar hebben. Alles wat ik maar kan bedenken om de kweek zo goed mogelijk te laten verlopen, om de zang van mijn vogels te verbeteren en op wedstrijden goed te scoren, pak ik op. Je hebt, om er in het clubblad over te schrijven, van mij de zaadmengeling gekregen die ik aan de jonge mannen geef nadat ik ze heb opgekooid. Dat is uitgedokterd en bijna tot op de gram afgegewogen. Er zullen straks ongetwijfeld nog meer voorbeelden ter sprake komen. Zo zit ik in elkaar. 

Dus als ik zeg dat je een perfectionist ben …..
Dan heb je helemaal gelijk.

Diny Kling breekt op dat moment even in en vraagt of we trek hebben in een kopje koffie. Die vraag wordt uiteraard positief beantwoord en de koffie met smaak geconsumeerd, inclusief de erbij geserveerde gevulde koek. Ik heb vroeger van mijn ouders altijd geleerd dat met volle mond praten niet netjes is, maar wij gaan gewoon door.

Als ik je zo hoor en een idee krijg van hoe je in elkaar steekt dan zal het samenstellen van je kweekkoppels voor jou wel een studie op zich zijn.
Dat kun je wel stellen. Ik ga er echt voor zitten en dat is niet in een avondje gepiept. Ik heb een computerprogramma dat aangeeft hoe sterk de verwantschap is. Ik kweek af en toe best wel op het randje. Broer maal zus is voor mij niet per definitie verboden. Je legt namelijk de erfelijke eigenschappen beter vast, maar het is wel oppassen geblazen en daar heb ik dat computerprogramma voor. Wanneer de verwantschap te sterk wordt geeft het programma dat aan in een percentage. In principe blijf ik aan de gunstige kant van een bepaald percentage. Als ik een koppel heb uitgedokterd controleer ik dus met het computerprogramma of dat qua afstamming niet te dicht bij elkaar komt.
Verder gebruik ik alleen jonge vogels. Ik ga van het standpunt uit dat je bezig ben de erfelijke eigenschappen van je vogels te verbeteren. Iedere nieuwe generatie is dus in je kweekplan een stap vooruit. Wanneer je met oude vogels gaat kweken boek je geen winst, maar blijf je waar je bent. Ik heb ook niet de ervaring dat ik uit een koppel waar ik het ene jaar toppers uit haal het jaar daarop opnieuw toppers kweek. Ze zijn altijd minder; wel goed, maar geen toppers. Aan het eind van het broedseizoen, in juni/juli, gaan dus al mijn overjarige vogels, mannen en poppen, naar de opkoper.

Dus je gebruikt je oude mannen ook niet voor de voorzang?
Dat heb je goed begrepen. Vanaf het moment dat ik mijn overjarige vogels wegdoe moeten de jonge mannen het zonder voorzang redden. Er moet dan uitkomen wat erfelijk in de vogel zit. De jonge mannen horen de oude mannen alleen in de broedtijd en voor de vogels uit de laatste ronde is dat dus bar weinig, want de oude mannen gaan direct weg nadat de laatste jongen zelfstandig zijn.

Op bezoek bij Willy Kling op 6 januari 2025. Willy in de afdeling van zijn vogelverblijf waar zijn wedstrijdvogels opgekooid zitten. In het kweekseizoen maakt de zangkast plaats voor de broedkooien. Achter hem de schuifdeur naar de ruimte met de vlucht.

In het clubblad heb ik een artikel geschreven over het belang van de poppen. In hoeverre houd jij rekening met het door poppen doorgegeven van erfelijke eigenschappen?
Poppen zijn voor mijn hééééél belangrijk. Ik durf wel te stellen dat voor mijn kweekplan de poppen belangrijker zijn dan de mannen. Ik selecteer dus mijn poppen heel secuur en bij het samenstellen van mijn kweekkoppels kijk ik meer naar de afstamming van de poppen dan naar die van de mannen.
Voor de kweek gebruik ik, en dat zal je misschien vreemd vinden, ook niet altijd de mannen die het best hebben gescoord. Mijn ervaring is dat ik veel meer toppers heb gekweekt uit de broers van de toppers dan uit de toppers zelf. Dus ik gebruik voor de kweek met voorkeur de broers van mijn beste vogels.

Met hoeveel koppels kweek je?
Ik heb 16 broedkooien. Zoals je straks wel zult zien bestaat mijn vogelverblijf uit drie delen. Via de buitendeur kom je in een halletje, dan volgt een ruimte waar die 16 broedkooien op de mm precies in passen. Na de broed worden de broedkooien schoongemaakt en opgeborgen. In het najaar gebruik ik deze ruimte om de jonge mannen op te kooien. Op dit moment zitten er 24 mannen. Ze zijn vorige week bij de NZHU geweest en gaan overmorgen naar Urk, naar ‘De Nachtegaal’. In de achterste ruimt staat mijn vlucht. Daarin zitten nu mijn kweekpoppen.
In de regel bestel ik voor die 16 broedkoppels 100 ringen.

Van welke producten maak je gebruik bij de huisvesting en voeding van je vogels?
Op de bodem van mijn volière en de broekooien gebruik ik Zeolite vloerdekkorrels. Dit is fijngemalen vulkanisch gesteente dat heel goed vocht absorbeert. Het voordeel boven andere vloerdekkorrels van fijngemalen gesteente is dat Zeolite geen stof geeft. Je hebt dat in twee korrelgroottes 1-2,5 mm en 2,5-5 mm. Ik gebruik beide. Op de bodem strooi ik de fijne korrel en daarboven de grove. Dit blijft maanden zo liggen. Ik verwijder dan alleen de opgedroogde ontlasting, maar de korrels blijven liggen. Ik leg de fijne korrel onder, omdat de scherpe kantjes niet prettig zijn voor de bloedluis. Over bloedluis gesproken: de vogels krijgen ook geregeld een druppeltje Parasita in de nek. In de inzetkooitjes gebruik ik overigens gewoon schelpzand.
Als basisvoer krijgen ze een gewoon standaard kanariemengsel van Slaats. Wel zet ik altijd een schaaltje met raapzaad in de vlucht, waaruit ze naar behoefte kunnen pakken. Groenvoer krijgen ze niet. Dat is hoofdzakelijk water. Ik geef geen gekiemd zaad; dit is me een beetje te veel gedoe. In de vlucht hangt ook een pikblok, een Clay Bloc, van Orlux, en er hangt ook altijd sepia waaraan ze kunnen pikken. Mijn broer in Noordwijk heeft een keer op het strand  sepia gevonden en aan mij gegeven. Die waren groen aangeslagen en het kostte me zoveel tijd om ze schoon te krijgen dat ik hem gezegd heb dat hij ze voor mij niet meer hoeft op te rapen. Verder geef ik één keer in de week appelazijn door het drinkwater.

Op bezoek bij Willy Kling op 6 januari 2025. De afdeling met de vlucht in Willy’s vogelverblijf. Let ook op de verlichting.

En welk krachtvoer gebruik je?
Ik geef krachtvoer van Witte Molen, maar wel volgens een eigen recept. Ik gebruik het gewone basis krachtvoer en meng dat met ‘Zachtvoer kruiden’, beide van Witte Molen, in de verhouding van respectievelijk 60% en
40%. In de rusttijd krijgen ze dit twee keer per week; in de broedtijd uiteraard elke dag. Als ze jongen hebben meng ik door dit krachtvoermengsel ook nog Breedmax.
Wellicht is ook nog interessant om te vermelden dat ik in de broed voorze
tkooitjes gebruik. Ik heb poppen die de neiging hebben bij de jongen de staart uit te trekken. Zodra de jongen op punt staan het nest te verlaten zet ik ze in zo’n kooitje en hang dat voor de broedkooi. De pop kan de jongen door de tralies voeren, maar de staarten blijven aan de vogels.

Nu even iets totaal anders. Hoe ben je er toe gekomen om keurmeester waterslagers te worden?
Het is maar de vraag of ik keurmeester zou zijn geworden wanneer ik Hans de Koff niet tegen het lijf was gelopen.
Tien, twintig jaar geleden was de nationale tentoonstelling in Leerdam een wedstrijd waarvoor behoorlijk wat waterslagers werden ingeschreven. Het was voor waterslagers één van de belangrijkere wedstijden, waaraan door toonaangevende kwekers werd deelgenomen. Zoals ik je al zei was het van begin af aan mijn ambitie om met mijn waterslagers tot de top van Nederland te behoren. Om te weten waar je staat moet je meedoen met wedstrijden waar die top aanwezig is. Dus het was voor mij heel logisch dat ik ook vogels inschreef voor Leerdam.
Hans de Koff was in de organisatie in Leerdam een spil waar veel om draaide, zeker wat betreft de zang. Vanwege mijn deelname in Leerdam kwam ik natuurlijk in contact met Hans en het klikte tussen ons. We wisselden kweekmateriaal uit en we raakten, dat mag ik wel zeggen, bevriend. In die tijd kwam er vanuit de ANBV een oproep om waterslagerkeurmeester te worden. Het toenmalige team raakte op leeftijd en men voorzag een groot probleem wanneer er geen jongere aanvulling kwam. Hans kwam toen met het idee om samen de cursus te gaan doen.  Niet zozeer omdat we stonden te springen, maar veeleer in de trant van: als iedereen ‘nee’ zegt, is er straks niemand. We hebben samen de cursus gevolgd, examen gedaan en zijn ook beiden keurmeester geworden. Aan die cursus houd ik gemengde gevoelens over. Zo lang het over de zang ging had het m’n interesse en zag ik ook het nut, maar we moesten ook hele stukken leren over het skelet van de vogel en de erfelijkheidsleer en dat hoefde van mij helemaal niet. We volgden een cursus voor zangkanariekeurmeester niet voor kleurkanariekeurmeester.
Hans is overigens niet erg lang keurmeester geweest. Hij is veel te jong overleden. Het contact met zijn vrouw is gebleven en een paar keer per jaar spreken we elkaar, nog steeds.
 
Willy Kling als keurmeester aan de slag op 3 januari 2025, de keuringsdag van de 38e  clubkampioenschappen van de NZHU.

Wat zijn de leuke en minder leuke dingen van het keurmeester zijn?
Om met het positieve te beginnen: keuren geeft me een kick; zeker als het mooie vogels zijn zit ik te genieten. Andersom kan ook. Van wat ik vorige week bij de NZHU ’s morgens bij de enkelingen en stellen voor m’n neus kreeg werd ik niet vrolijk, maar ‘s middags zaten er dan toch wel weer leuke vogels tussen. Dat is ook keuren; op het ene moment zit je op het puntje van je stoel en een half uur later denk je: ‘Hoe kan een kweker zulke vogels inzenden’.
Als keurmeester kom je overal in het land en krijg je dus ook een algemeen beeld over de kwaliteit en uiteraard vergelijk je die met die van je eigen vogels.Keurmeester zijn is niet gemakkelijk, want je wordt geacht volkomen objectief een oordeel te vellen, maar dat is erg lastig, zo niet onmogelijk. Je zit in het keurhokje altijd met je eigen voorkeuren en de herinneringen aan toervormen die je eerder hebt gehoord. Zeker als je van jezelf vindt dat je heel mooie vogels hebt ga je de vogels die je hoort onwillekeurig vergelijken met je eigen vogels. Misschien dat ik daarom een beetje voorzichtig keur. Ik spring niet vaak uit de ban met heel hoge punten. Het zou best wel eens kunnen dat ik voor een klok 25 punten geef, maar een collega keurmeester 26 of misschien zelfs 27 punten schrijft. Aan de andere kant ben ik wel weer heel soepel met de mindere vogels. Zelden schrijf ik een keurbriefje van minder dan 100 punten. Of een vogel 80, 100 of 110 punten krijgt maakt eigenlijk niet veel uit. Het is alle gevallen onvoldoende, maar voor de inzender en de vereniging maakte het toch wel uit of je een serie waterslagers van 80 of van 110 punten op de tentoonstelling hebt staan.
Als keurmeester zit je in een glazen kast, en daar moet je je bewust van zijn. Iedereen kijkt naar je en ik weet zeker dat er ook inzenders zijn die op een bepaald moment twijfelen aan mijn onafhankelijkheid. Zo van: “Hij heeft de vogels van zijn broer hoger gekeurd dan de mijne; hij heeft ze vast herkend’. Om dit geklets achter mijn rug voor te zijn ga ik in de opkooitijd naar niemand toe, zelfs niet naar mijn broer. Henny en ik luisteren dus voor de wedstrijden nooit samen naar zijn vogels. Ik wil niet horen hoe de vogels zingen, want ik weet van mezelf dat ik ze herken wanneer ik bij een keuring ze voor m’n neus krijg. Als keurmeester moet je je dus heel bewust zijn van de praatjes die over je kunnen rondgaan en op dat vlak een olifantshuid opbouwen, al is dat niet altijd gemakkelijk. Soms zijn de opmerkingen die je naar je hoofd geslingerd krijgt, of via, via hoort, echt onredelijk en dat stemt me dan niet vrolijk, om het netjes uit te drukken.

Studiedag 36e clubkampioenschappen. Henny en Willy Kling gebroederlijk naast elkaar, de keurlijsten bestuderende. 

Ik heb begrepen dat je inmiddels ook enige bekendheid hebt gekregen buiten de zangkanariewereld en er een groot stuk over je in de krant heeft gestaan.
Dat is een heel leuk verhaal. Enige jaren geleden ben ik benaderd door Eveline van Elk. Zij is fotografe voor ‘De Gelderlander’, maar heeft ook haar eigen projecten. Dieren en wat daar bij komt kijken is een van de onderwerpen die haar interesseert. Als artistiek fotograaf zend ze ook materiaal in voor fotowedstrijden en scoort daar regelmatig hoge ogen. Zo is ze een paar keer genomineerd geweest voor de Zilveren Camera en heeft op die wedstrijd zelfs een paar keer een prijs gewonnen. Zij vroeg mij of ze in het kader van een project van haar mij een jaar lang mocht volgen en fotograferen. Dat is gebeurd. Er heeft over dat project, met foto’s van mij, een heel stuk in ‘De Gelderlander’ gestaan. Van door haar gemaakte foto’s heb ik als heinnering een mooi fotoboek laten maken.

Inmiddels was het rond half vier geworden en zaten we al twee uur te kletsen. Omdat Gerard en ik rond vier uur in de auto wilden stappen, richting Katwijk, was het dus hoog tijd om met Willy naar zijn vogelverblijf te gaan. Willy waarschuwde ons van te voren dat het wat krap bemeten was. Hij had niet gelogen; het was inderdaad krap, zeker voor iemand van 1,85 m en ruim 100 kilo. 

Achter zijn huis heeft Willy een schuur. Tussen zijn schuur en het huis, evenwijdig aan de afscheiding met de buren staat zijn vogelverblijf. Vanuit het entreehalletje kom je eerst in de broed- annex opkooiafdeling. Hier zaten 24 mannetjes in inzetkooitjes, achter een gordijn. Tussen de kooitjes en het buitenraam was ongeveer 1 meter loopruimte. Willy kan met verschillende gordijntjes, zowel voor het buitenraam als voor de kooitjes de lichtintensiteit regelen. Het was verbazend hoe de vogels doorzongen terwijl ik, Willy niet uiteraard, toch bijna met m’n buik tegen de kooitjes kwam. Willy vertelde dat hij aan het begin van het seizoen de jonge mannen had afgeluisterd en er 24 had uitgekozen. De ‘afvallers’ waren al weg. De 24 ‘uitverkorenen’ waren verdeeld in viertallen die boven elkaar in de zangkast aan haakjes hingen, zoals Willy gewend is: de vogels met het laagste ringnummer boven en verder op ringnummervolgorde naar beneden. Hij vertelde ook dat hij in de samenstelling van de viertallen, sinds hij tot deze keuze gekomen was, niets had veranderd en dit ook ieder jaar zijn gewoonte was. De zangkooitjes hangen in de zangkast aan haakjes. Wanneer de vogels naar de zangkooitjes zijn verhuisd hangt hij ze zo op dat ze elkaar kunnen zien en van lieverlede verkast hij ze naar achteren. Wanneer ze achterin hangen kunnen ze geen andere vogels zien. De zangkast is van beneden naar boven en van links naar rechts niet afgesloten, zodat het geluid zich door de hele zangkast kan mengen.
Willy heeft in zijn vogelverblijf geen ruimte om zijn vogels rustig te kunnen afluisteren. Dat doet hij in huis, in de gang. Hij legt voor de voordeur een kleed op de vloer. – Hij moet Diny tenslotte ook te vriend houden. – hangt voor de raampjes van de voordeur een gordijntje, zet een tafeltje op het kleed en daarop de vogels en posteert zich vervolgens verderop in de gang om te luisteren. Het is voor Willy te hopen dat, wanneer hij zit af te luisteren, niet om de haverklap de deurbel gaat en hij moet opendoen.
Via en schuifdeurtje kom je vanuit de broed/opkooi afdeling in de ruimte met de vlucht. De achterwand van de vlucht hangt vol met afneembare platen met zitstokjes voor één vogel. De belichting in zijn hele vogelverblijf is kunstig geregeld. Via een schakelklok beginnen ’s morgens op de ingestelde tijd gloeilampen zachtjes te branden en wordt het licht langzaam steeds feller. Wanneer de gloeilampen op z’n felst branden springen de lichtbalken aan. ‘s Avonds gaat de belichting in de omgekeerde volgorde, uiteraard.
In de afdeling met de vlucht was nog minder loopruimte tussen vlucht en buitenramen. Willy en ik konden elkaar niet passeren, zelfs niet met ingehouden adem. Toen we Willy vroegen waarom alles zo krap bemeten was kwam de aap uit de mouw. Hij heeft een achteruitgang en die is vanwege zijn schuur niet te verzetten. Hij moest zijn vogelverblijf dus in een strook met een gegeven breedte persen. Hij heeft duidelijk gekozen voor meer ruimte voor zijn vogels dan voor zichzelf. Overigens weerhoudt de krappe ruimte voor de verzorger Willy er niet van om al jaren waterslagers van een dusdanig goede kwaliteit te kweken dat hij overal waar hij vogels inschrijft meedoet om de prijzen. En wellicht geldt bij Willy ook wel de uitspraak ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’. De mannen van Willy zijn op de wedstrijden altijd zanglustig. Ook toen we met z’n drieën vlak voor de inzetkooitjes stonden bleven ze enthousiast doorzingen. Wie weet raken ze juist extra aan mensen gewend wanneer iedere keer Willy zo dicht langs hun kooitjes schuift  en dit hun zanglust in vreemde situaties ten goede komt.

Inmiddels was de kleine wijzer van de klok de vier gepasseerd en was het dus de hoogste tijd om te vertrekken. Met dank voor de gastvrijheid, de goede verzorging en het aangenaam verblijf namen we afscheid van Willy en Diny Kling. Met een door Willy geadviseerde terugrijroute in ons achterhoofd verlieten we Kraayenberg, in de deuropening uitgezwaaid door Willy.

Uitkooien 38e clubkampioenschappen, 4 januari 2025. Links Henny en Willy Kling.

-0-

Bijten klokken en tjokken elkaar?

door Jaap Plokker

Afgelopen najaar werd tijdens de afluistersessies de vraag opgeworpen waarom we de laatste jaren zo weinig goede tjokken horen. Eveneens werd geconstateerd dat de klokkende waterslag behoorlijk beter was geworden. Klopt dit vermoeden en zo ja, is er een causaal verband tussen het beter worden van de klok en het slechter worden van de tjok? Jaap Plokker probeert op deze vragen een antwoord te vinden.

Voorafgaand aan de jaarvergadering luisterden we op dinsdag 26 november 2024 naar twee stammen waterslagers, één van Jan Zonderop en één van Krien Onderwater. Alle aanwezigen waren onder de indruk van de klokkende waterslag die beide stammen lieten horen; die van Jan’s vogels hadden een meer golvende vorm en die van Krien was meer geslagen.
Zoals het een speciaalclub betaamt werd het fileermes tevoorschijn gehaald en het lied van de vogels die opstonden ‘gefileerd’: ‘Mooie vogels, heel mooie vogels zelfs, maar waar bleven de
aansprekende tjokken?’ Andries Gort merkte op dat, naar zijn waarneming, het al jaren gaande is dat goede tjokken zelden te beluisteren zijn. De gedachte kwam ter tafel dat vogels met een zeer goede klok, in de regel, zwak waren in hun tjokken. De indruk was dat een goede klok en goede tjokkenrol beter bij elkaar passen dan een goede klokken en goede tjokken.
Bijten klokken en tjokken elkaar? En als dat zo mocht zijn moeten we dan ons maar steeds blijven focussen op de klokkende waterslag, of hiermee een stapje terug doen om de tjokken te rehabiliteren?

Studiedag 38e clubkampioenschappen op 4 januari 2025. Andries Gort (l) en Gerard van Zuijlen bestuderen de catalogus. In het verleden had Andries waterslagers die over bijzonder mooie tjokken beschikten

Meten is weten
De gedachte dat tjokken en klokken elkaar niet kunnen verdragen is zo’n kwekerswijsheid die algemeen ingang gevonden heeft, maar is het werkelijk zo, of een hersenspinsel?
Meten is weten. Maar hoe kan je meten of tjokken en klokken elkaar bijten?
Mij schoot te binnen dat ik in het verleden eens bezig ben geweest met het ‘meten’ van waterslagerzang en voor mij interessante resultaten uit de bus kwamen. Waarom niet eens opnieuw een poging gewaagd?

Een oud onderzoek
In het najaar van 1993 klonk onder de waterslagerkwekers van vogelvereniging De Kanarievogel een min of meer overeenkomstige vraag als die tijdens het afluisteren op 26 november 2024 over de tjokkenpartij naar voren werd gebracht: ‘Waar waren de ‘bammen’ gebleven?’ In de herinnering van de Katwijkse waterslagerkwekers waren er in het verleden diverse leden geweest die vogels met een zeer goede klokkende waterslag  kweekten, zo goed dat er regelmatig een ‘10’ viel op de onderlinge wedstrijd, maar dat was in 1993 al veel te lang niet meer voorgekomen. De klokkende waterslag had in Katwijk in kwaliteit ingeboet, zo leek het althans. En als dat zo zou zijn wat was hiervan de oorzaak?
De voor het beantwoorden van deze vragen benodigde informatie stond op de keurlijsten. Ik beschikte over aan de klokkende waterslag gegeven beoordelingen op de wedstrijd van De Kanarievogel van alle vogels over de periode 1981 t/m 1993. Verder leek het me ook interessant om de ‘Katwijkse’ gegevens te vergelijken met de op de wedstrijd van de NZHU toegekende beoordelingen. Ik had de hiervoor benodigde gegevens voor de periode 1985 t/m 1993.
Toen ik alle gegevens op een rijtje had en de tabellen in grafieken beter zichtbaar maakte kwamen er enkele interessante gegevens uit. De eerste was dat de ontwikkelingen bij De Kanarievogel en de NZHU nagenoeg gelijk liepen. We moeten in dit verband niet vergeten dat in de toenmalige waterslagerbolwerken Hillegom/Lisse en Heemskerk/Beverwijk nog volop waterslagers werden gekweekt en leden van deze verenigingen ook vogels inzonden voor de wedstrijd van de NZHU. Wedstrijden van de NZHU weerspiegelden dus een algemeen beeld voor West-Nederland.
Dat algemene beeld was duidelijk: vanaf medio de jaren ’80 daalde het aantal waterslagers met een beoordeling van de klokkende waterslag in het zeer goede’, te weten met een beoordeling van minimaal 9 pnt. Prijswinnende vogels die hun winst mede te danken hadden aan een goede klok werden steeds minder ten gunste van de vogels met een goed binnenlied. De vogels die vanaf medio de jaren ’80 in de prijzen vielen blonken uit in hun binnenlied en niet in de klok; die stokte bij de prijswinnende vogels vaak bij een waardering van 7 pnt. Die trend zette door tot in de jaren ’90. Zoals gezegd, het onderzoek stopte met de gegevens over de wedstrijden in 1993. Het gevoel dat toen onder de Katwijkse kwekers leefde, nl. dat van een langzaam in kwaliteit teruglopende klokkende waterslag, klopte dus met de cijfers.
Toen ik deze conclusie kon trekken was het natuurlijk ook interessant of er een verklaring voor deze ontwikkeling gevonden kon worden. Ik kwam toen tot de volgende veronderstelling. In 1981 was de keurlijst voor waterslagers gewijzigd. Lag hier een mogelijke oorzaak? De NBvV en ANBV waren in 1981 afgestapt van de COM keurlijst en hadden een keurlijst ingevoerd die het nacht
egaalaccent van de waterslager moest versterken. Tjokken en tjokkenrol, op de COM keurlijst een gecombineerde rubriek met max. 6 pnt., werden twee afzonderlijke rubrieken waarvoor elk max. 6 pnt. behaald konden worden. Met de ‘tjokkenpartij’ kon dus vanaf 1981 twee keer zoveel punten gescoord worden. Bollende waterslag ging van max. 9 naar max. 6 pnt. en rollende waterslag van max. 6 naar max. 9 pnt. Verder werd een nieuwe rubriek toegevoegd, nl. ‘nachtegaalaccent’. Deze veranderingen op de keurlijst betekende dat de vogels met een zeer goede klokkende waterslag meer concurrentie ondervonden van vogels met een goede tjokkenpartij en nachtegaalaccent. Binnen enkele jaren waren de vogels, die met de COM keurlijst, hun prijzen aan voornamelijk een goede klok dankten, ‘ondergesneeuwd’ door de vogels met een goed binnenlied, in het bijzonder een goede tjokkenpartij. Als je op wedstrijden met je vogels prijzen wilde behalen dan moest je zorgen voor een ijzersterk binnenlied, en het liefst met slagvogels. Daar viel de winst te behalen, niet met een goede klok. Op grond van de cijfers was duidelijk waarvoor de kwekers hadden gekozen: vogels die hoge punten scoren met een compleet lied. Vogels met klokken van 9 en 10 pnt., maar met een relatief zwak binnenlied vielen buiten de prijzen. De focus om vogels te kweken met een zeer goede klok, dus 9 pnt. of hoger, verdween steeds meer, zijnde wedstrijdtechnisch minder interessant.
De onderzoeksresultaten heb ik gepubliceerd in 1994 in de zomereditie van het clubblad van De Kanarievogel. Over hoe de ontwikkelingen na 1993 zijn gegaan heb ik niet in beeld. Ik heb een dergelijk onderzoek daarna namelijk nooit meer gedaan.

Studiedag 38e clubkampioenschappen op 4 januari 2025. Jan de Bruine (l) en Piet Hagenaars tijdens een van de pauzes gewikkeld in een geanimeerd gesprek.

Klok en tjok aan de meetlat
Om meer inzicht te krijgen omtrent de vraag die in dit artikel centraal staat, namelijk of een kwalitatief stijgende klokkende waterslag het bijkomend effect heeft dat de tjokken in kwaliteit achteruitgaan, leek me de systematiek die ik in 1993 had toegepast mogelijk bruikbaar.
Ik beschik van de wedstrijd van de NZHU namelijk over heel veel gegevens van keurresultaten, die ook nog een onafgebroken, ruime, periode beslaan. Vanaf 1986 werd de waardering van klok en tjok van alle vogels in de catalogus vermeld en met ingang van 1990 stond zelfs de volledige keurlijst in de catalogus afgedrukt. Ik heb alle catalogi vanaf de eerste wedstrijd van de NZHU
, in 1985, tot mijn beschikking.
Er is echter een statistisch probleem. Met ingang van 2008 is de keurlijst gewijzigd en de vermenigvuldiging met drie, die daarvoor op het tussenresultaat werd toegepast, wordt sindsdien direct bij de beoordeling verdisconteerd. In de oude situatie werd een ‘zeer goede’ tjok gewaardeerd met een 5 of 6; met de huidige keurlijst begint een zeer goede tjok al bij 13 pnt., dus bij een 4,3 in de oude situatie. Met een + of  - was vóór 2008 weliswaar mogelijk een waardering tussen twee hele cijfers te geven, maar van die mogelijkheid werd in de praktijk nauwelijks gebruik gemaakt.
Om het ‘meten’ zo zuiver mogelijk te doen heb ik daarom besloten voor mijn onderzoeksvraag de periode 2008 t/m 2024 onder de loep te nemen en de periode vóór 2008 buiten beschouwing te laten. De onderzoeksperiode beslaat 15 wedstrijden. In 2020 en 2021 werden namelijk geen clubkampioen
-schappen georganiseerd, vanwege corona.

Keuringsdag 38e clubkampioenschappen, 3 januari 2025. Waterslagerkeurmeester Krien Onderwater aan het werk.

Onderzoeksvragen
We hebben een aantal vragen die om een antwoord vragen:
Neemt in de periode 2008 t/m 2024 op de clubkampioenschappen van de NZHU de kwaliteit van de tjokken af?
Neemt in de periode 2008 t/m 2024 op de clubkampioenschappen van de NZHU de kwaliteit van de klokkende waterslag toe?
Zijn op grond van de geconstateerde beoordelingen een zeer goede klok en zeer goede tjok met elkaar verenigbaar
in het lied van één waterslager?
Geldt hetzelfde voor de tjokkenrol?
Ons keursysteem is gebaseerd op de driedeling voldoende, goed, zeer goed.
Besloten is om dit onderzoek te beperken tot de in het ‘zeer goed’ beoordeelde toervormen. Dit betekent dat alleen gekeken is naar waterslagers die voor de klokkende waterslag een waardering hebben gekregen van 25 pnt
. of hoger; voor tjokken van 13 pnt. of hoger en voor tjokkenrol van eveneens minimaal 13 pnt.

De meetresultaten
‘Meten’ is in de regel een tijdrovende en oersaaie bezigheid, met de uiteindelijke beloning dat je kennis dat van de ‘barkrukpraatjes’ verre overstijgt en je dus met de nodige feitelijke onderbouwing conclusies kan trekken. Na een respectabel aantal uurtjes tellen en rekenen kwamen acht tabellen uit de bus.
In Tabel 1 vinden we het totaal aantal waterslagers dat in de periode 2008-2024 op de clubkampioenschappen van de NZHU voor klokkende waterslag is beoordeeld. Vervolgens het aantal vogels van dit totaal dat een beoordeling in het ‘zeer goede’ heeft gekregen, dus 25 pnt. of meer. Verder het percentage van het aantal vogels dat een ‘zeer goede klok; heeft laten horen ten opzichte van het totaal aan vogels dat klok heeft gezongen. In Tabel 2 is een vergelijkbaar overzicht opgenomen, maar dan voor de tjokken en in Tabel 3 voor de tjokkenrol.
Tabel
5 is een overzicht van het totaal aantal vogels dat op de wedstrijden van de NZHU in de periode 2008-2024 voor zowel klokkende waterslag als tjokken een beoordeling heeft gekregen. Vervolgens het aantal vogels dat zowel 25 pnt. of hoger is toegekend voor de klok als 13 pnt. of hoger voor de tjok. In Tabel 6 zijn vergelijkbare gegevens weergegeven, maar dan voor de tjokkenrol.
In Tabel
7 staan de aantallen vogels vermeld die zowel een klokkende waterslag van 25 pnt. of meer gezongen hebben en ook tjokken van 13 pnt. of meer. Tevens het percentage van de vogels die zeer goede tjokken zongen van het aantal waterslagers dat ook voor klok beoordeeld werden met 25 pnt. of meer. In Tabel 8 staan vergelijkbare gegevens maar dan voor de tjokkenrol.
Gaande het onderzoek leek het verstandig nog een tabel te maken, namelijk van vogels die van de keurmeesters voor de tjokken 15 pnt. of hoger hadden ontvangen en tevens welke scores ze hadden voor de klokkende waterslag.
Dat is Tabel 4 geworden.
Een algemene opmerking betreft het aantal vogels dat in de meting is meegenomen. Vergelijken we het aantal vogels dat klokkende waterslager heeft gezongen in 2008 met dat in januari 2025 dan is sprake van meer dan een halvering. Vergeleken met de aantallen vogels die in de eerste helft van het tweede decennium werden ingezonden is zelfs sprake van een daling met tweederde. Hetzelfde geldt voor het aantal inzenders. De percentages worden dus in de loop van de jaren over steeds kleinere groepen berekend.

Conclusies
Aan de hand van de in de tabellen opgenomen gegevens nemen we een aantal onderwerpen onder de loep.

NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 - Klokkende waterslag  ≥ 25 pnt (Tabel 1) en tjokken ≥ 13 pnt (Tabel 2)

   Tabel 1                                                   Tabel 2

jaar

Aantal klok ws

aantal klok ws

≥ 25 pnt.

%

 

Aantal tjokken

aantal tjokken

≥ 13

%

 

 

 

 

 

 

2008

328

15

4,6

 

338

55

16,3

2009

329

13

4

 

327

48

14,7

2010

350

7

2

 

380

60

15,8

2011

359

13

3,6

 

387

67

17,3

2012

362

7

1,9

 

368

107

29,1

2013

401

18

4,5

 

392

59

15,1

2014

304

19

6,3

 

298

66

22,1

2015

287

5

1,7

 

286

35

12,2

2016

244

6

2,5

 

244

9

3,7

2017

200

7

3,5

 

201

13

6,5

2018

165

5

3

 

177

29

16,4

2019

214

14

6,5

 

220

42

19,1

2020

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

2021

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

2022

167

50

29,9

 

183

22

12

2023

129

35

27,1

 

133

19

14,3

2024

120

30

25

 

120

21

17,5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klokkende waterslag
Tabel 1 laat een opmerkelijk ontwikkeling zien wat betreft de klokkende waterslag. Het aantal waterslagers dat op de clubkampioenschappen van de NZHU een klok zong van 25 pnt. of meer is na de corona onderbreking spectaculair gestegen. Schommelden tussen 2008 en 2019 de percentages vogels met een zeer goede klok rond de 4%-6% van het totaal aantal vogels dat voor een klok beoordeeld werd, na de coronapandemie is dat ruim 25%. De indruk die onder leden nu leeft dat de laatste jaren de kwaliteit van de klokkende waterslag  over de algehele linie beter is geworden klopt dus volledig en is zelfs veel spectaculairder dan ik had vermoed. Er is zelfs geen sprake van een geleidelijke ontwikkeling, maar sprake van een overduidelijke trendbreuk gedurende de coronaonderbreking.
We constateren vanaf medio het tweede decennium een afname in het aantal vogels en inzenders. In dit verband heeft de coronaonderbreking eveneens een versnelling van de neergaande trend tot gevolg gehad. Het lijkt er dus op dat de kwekers met waterslagers die over een zeer goede klokkende waterslag beschikken op dit moment tussen de liefhebbers sterker vertegenwoordigd zijn dan voorheen, zeker in vergelijking tot de periode vóór corona. 

 NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 – tjokkenrol ≥ 13 pnt

Tabel 3

Jaar

Aantal tjokkenrol

aantal tjokkenrol

≥ 13 pnt.

%

 

 

 

2008

342

48

14

2009

341

49

14,4

2010

386

68

17,6

2011

388

45

11,6

2012

373

94

25,2

2013

405

64

15,8

2014

319

64

20,1

2015

299

27

9

2016

282

16

5,7

2017

208

19

9,1

2018

178

23

12.9

2019

224

31

13,8

2020

Geen wedstrijd-corona

2021

Geen wedstrijd-corona

2022

183

26

14,2

2023

133

16

12

2024

126

24

10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tjokken en tjokkenrol 
De indruk, die ook onder leden bestaat, namelijk dat de tjokken de laatste jaren in kwaliteit zijn achteruitgegaan wordt niet met de cijfers aangetoond. In Tabel 2 kunnen we zien dat de percentages van het aantal vogels dat met zeer goede tjokken werd beoordeeld ten opzichte van het totaal aantal vogels dat tjokken gezongen heeft voor de hele periode 2008-2024 rond het gemiddelde van 15,3% schommelen. Er waren dus in de periode rond 2010 procentueel evenveel waterslagers die zeer goede tjokken zongen dan de laatste jaren.
Met mijn vermoeden, dat een waterslager gemakkelijker een tjokkenrol in het zeer goede zingt dan tjokken van 13 pnt. of meer, sla ik de plank mis. Tabel 3 laat zien dat er nauwelijks verschil is in de percentages tussen de vogels die zeer goede tjokken en zeer goede tjokkenrollen zingen. Sterker, het gemiddeld percentage van het aantal vogels op wedstrijden van de NZHU met zeer goede tjokkenrollen ligt zelfs een fractie lager, dan dat van de zeer goede tjokken
.

NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 - Klokkende waterslag  en tjokken van 15 pnt.

Tabel 4a

Klok

12

13

14

15

16

18

19

20

21

22

23

24

25

27

totaal

Jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2008

 

1

 

1

 

 

2

2

2

10

 

 

4

 

1

23

2009

2

1

1

 

 

1

1

1

2

5

 

 

 

1

 

15

2010

 

 

 

 

1

 

1

 

 

 

1

 

2

 

 

5

2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

1

1

 

 

 

4

2012

 

 

 

 

 

 

3

 

 

2

2

1

1

 

 

9

2013

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

1

2014

 

 

 

 

1

 

1

 

 

1

1

3

 

 

1

8

2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

1

2016

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

1

2017

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2019

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2020

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2021

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2022

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2023

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

2

2024

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ons geheugen is een complex fenomeen, dat ons regelmatig op het verkeerde been zet. We hebben namelijk de neiging extremen ons beter te herinneren en vervolgens die te veralgemeniseren: ‘Vroeger kon je elke winter schaatsen. Ook zien we dat mensen in hun geheugen twee ervaringen, die onafhankelijk van elkaar hebben plaatsgevonden, samenvoegen tot één gebeurtenis. Hoe langer geleden des te vaker je, overigens volkomen onbewust, in deze valkuil trapt. Een van de bekendste voorbeelden van dit fenomeen is dat, in het geheugen van ooggetuigen, op het eind van de Tweede Wereldoorlog het Zweedse wittebrood uit vliegtuigen werd gedropt. Een herinnering die volkomen in strijd is met de werkelijk gebeurde feiten. Een andere hobby van mij, het zal jullie niet verbazen, is het doen van historisch onderzoek en daarover schrijven. Ik zit dus regelmatig in archieven in dossiers eigentijdse documenten door te nemen. Wanneer ik met een project bezig ben krijg ik soms de tip om naar iemand toe te gaan die uit eigen herinnering over desbetreffend onderwerp kan vertellen. Ooggetuigen van gebeurtenissen, zeker als ze al lang geleden hebben plaatsgevonden, zijn, in de regel, voor feiten onbetrouwbare bronnen, althans dat is mijn ervaring. Door schade en schande wijs geworden benader ik ooggetuigen dan ook als een waardevolle bron, maar met een gezond dosis wantrouwen: men heeft in de regel de klok wel horen luiden, maar waar precies de klepel hangt is in het geheugen diffuus geworden. We zagen hiervoor dat het percentage zeer goede tjokken op de wedstrijden van de NZHU van ca. vijftien jaar geleden nauwelijks verschilt van tegenwoordig. Heeft ons geheugen dan ons op het verkeerde been gezet wanneer we ons uit het verleden vormen van tjokken herinneren, die we vandaag de dag steeds minder horen?
Om ons geheugen op te frissen is het van belang om naar tabel
4a en 4b te kijken. In ons geheugen herinneren we ons niet de tjokken die met 13 en 14 pnt. zijn bewaardigd. Ook deze vallen in de categorie ‘zeer goed’, maar daarvoor gaan we niet op het puntje van onze stoel zitten. Dat zijn de tjokken die van de keurmeester 15 of meer punten hebben gekregen. Die blijven ook langer in ons geheugen hangen. In tabel 4a en 4b kunnen we zien dat ons geheugen ons een klein beetje op het verkeerde been heeft gezet, maar ook niet helemaal. Hiervoor zagen we dat, in algemene zin, tegenwoordig procentueel evenveel zeer goede tjokken worden gezongen dan aan het begin van de onderzoeksperiode. De bulk van de vogels die in deze tabel terecht zijn gekomen zongen tjokken van 13 en 14 pnt., niet de tjokken waar we even voor gaan zitten dus. In Tabel 4a en 4b zoomen we in op de tjokken die we ons als de mooie tjokken uit het verleden herinneren, de tjokken die 15 en soms zelfs 16 punten hebben gekregen. Inderdaad, deze tjokken hebben we al lang niet meer gehoord. De laatste keer was in 2023, maar dat was een incidentele gebeurtenis, waarvan maar zeer weinigen getuige zijn geweest. Op de afluisterochtend van 25 november 2023 zette Rob Bisschops een stam vogels op die tjokken zongen om je vingers bij af te likken. Twee van hen kregen ook een waardering van 15 pnt. op de wedstrijd.

NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 - Klokkende waterslag  en tjokken van 16 pnt.

Tabel 4b

Klok

8

20

24

Totaal

Jaar

 

 

 

 

 

2008

 

 

 

 

 

2009

 1

 1

  1

 

3

2010

 

 

 

4

4

2011

 

 

 

 

 

2012

 

 

 

 

 

2013

 

 

 

 

 

2014

 

 

 

 

 

2015

 

 

 

 

 

2016

 

 

 

 

 

2017

 

 

 

 

 

2018

 

 

 

 

 

2019

 

 

 

 

 

2020

Geen wedstrijd-corona

2021

Geen wedstrijd-corona

2022

 

 

 

 

 

2023

 

 

 

 

 

2024

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het feit dat de toenmalige aanwezigen nu nog steeds over deze vogels van Rob Bisschops spreken is wellicht ook een bewijs dat het toen heel uitzonderlijk was. Tabel
4a en 4b bevestigen dat. De laatste keer, vóór 2023, dat op de wedstrijd van de NZHU door een keurmeester aan een waterslager 15 pnt. voor tjokken werd gegeven was in 2016 en het betrof toen, welgeteld, één vogel. Voor tjokken die met een score van 16 pnt. zijn beoordeeld moeten we zelfs terug naar 2010. Tabel 4a en 4b laten ons nog meer zien: Voor de tijd dat het vrij regelmatig voorkwam dat er voor tjokken 15 pnt., en soms zelfs 16 pnt., werd gegeven moeten we terug naar de jaren 2010 en daarvoor. Vanaf 2010 constateren we een duidelijke afname van het aantal ‘zeer zeer goede’ tjokken en sedert 2015 lijken ze vrijwel verdwenen.
Voor de tijd dat tamelijk regelmatig zeer mooie tjokken werden gezongen moeten we dus vijftien jaar terug in de tijd. Daarna volgde een periode van
zeven jaar waarin sporadisch voor de tjokken 15 pnt. werden geschreven en vanaf 2015 is dit een incidentele gebeurtenis. De tjokken van 15 punten en hoger lijken uit het moderne lied van de NZHU-waterslager verdwenen. In dit opzicht heeft ons geheugen ons dus niet in de steek gelaten.

NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 – zowel klokkende waterslag ≥ 25 pnt als tjokken (Tabel 5) en tjokkenrol (Tabel 6)  ≥ 13 pnt

Tabel 5                                                     Tabel 6

jaar

Aantal klok+

tjok

aantal klok   ≥ 25 pnt. +

aantal tjok   ≥ 13 pnt

%

 

Aantal tjokrol + klok

aantal klok ≥ 25 pnt. tjokrol

≥ 13 pnt.

%

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

2008

320

4

1,3

 

324

1

0,3

2009

320

5

1,6

 

323

2

0,6

2010

339

0

0

 

341

1

0,3

2011

354

6

1,7

 

352

7

2

2012

355

3

0.9

 

356

2

0,6

2013

387

0

0

 

399

6

1,5

2014

280

5

1,8

 

298

4

1,3

2015

273

4

1,5

 

282

1

0,4

2016

208

1

0,5

 

241

0

0

2017

189

2

1,1

 

197

1

0,5

2018

164

0

0

 

165

0

0

2019

206

7

3,4

 

211

4

1,9

2020

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

2021

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

2022

164

7

4,3

 

164

7

4,3

2023

123

3

2,4

 

123

5

4,1

2024

114

1

0,9

 

120

1

0,8

Tjok versus klok
Komen we, tenslotte, tot de cruciale vraag: Bijten klokken en tjokken elkaar, oftewel gaat een verbetering van de klokkende waterslag ten koste van de tjokken en andersom? Is het kweken van een waterslager met zowel zeer goede tjokken als zeer goede klokken een onbegonnen zaak? Voor antwoorden op deze vragen gaan we opnieuw te rade in de tabellen met meetresultaten.
We zagen hiervoor dat het percentage tjokken dat in het zeer goede wordt beoordeeld, dus vanaf 13 punten, vanaf 2008 min of meer stabiel is gebleven.
We zagen ook dat de tjokken die we plaatsen in de categorie ‘erg mooi’, dus van 15 pnt. en hoger, voor het laatst ca. 2010 regelmatig werden gehoord, daarna in aantallen stevig zijn teruggelopen en vanaf 2015 nauwelijks meer zijn waargenomen. Beide genoemde ontwikkelingen met betrekking tot de tjokken staan los van hetgeen heeft plaatsgevonden omtrent de kwaliteitsverbetering van de klokkende waterslag. De spectaculaire kwaliteitsimpuls van de klok vindt plaats na 2022; de terugval van de ‘erg mooie’ tjokken is dan al zeven zo niet ruim tien jaar gaande.
In algemene zin zou men dus de conclusie kunnen  trekken dat de verbetering van de klok in de jaren vanaf 2022 geen effect heeft gehad op de kwaliteit van de tjokken. Ook zijn er geen meetresultaten die er op duiden dat de terugval van de ‘zeer mooie’ tjokken gedurende het tweede decennium veroorzaakt is door meer focus van de kwekers op de klokkende waterslag. Gaan een zeer goede klok en zeer goede tjokken dan dus prima samen en bijten ze elkaar niet?  Die conclusie mag niet getrokken worden, omdat de genoemde gegevens eigenlijk op deze vraag geen antwoord geven. Daarvoor moeten we inzoomen op vogels die zowel klokkende waterslag als tjokken hebben gezongen.
In Tabel 5 is het aantal vogels weergegeven dat zowel voor klokkende water-slag als tjokken is bewaardigd. Verder is gekeken naar welke van deze vogels zowel een zeer goede klok, dus van 25 pnt. of meer, als zeer goede tjokken hebben laten horen. Dit blijkt een zeer klein percentage te zijn van alle vogels die zowel klokkende waterslag als tjokken hebben gezongen. In Tabel 7 is dat verder gespecificeerd: hoeveel vogels die 25 pnt. of meer voor de klok hebben gekregen hebben ook voor de tjokken 13 pnt. of hoger gescoord?
Het betreft dusdanig kleine aantallen dat een vogel meer of minder al gelijk grote verschillen in de percentages oplevert. De cijfers in de kolom percentages in Tabel 7 vertonen dan ook het beeld van een jojo die van het ene uiterste in het andere uiterste springt. Er kunnen dus geen duidelijke ontwikkelingen geconstateerd worden.
Leggen we de cijfers uit Tabel 1, 2,
4, 5 en 7 naast elkaar dan ontstaat het beeld dat het kennelijk erg lastig is een waterslager te kweken die zowel over een zeer goede klokkende waterslag als zeer goede tjokken beschikt. Overzien we de hele periode 2008-2024 dan is, in absolute cijfers, het aantal vogels dat op dezelfde wedstrijd tot dit kunstje in staat was nooit meer geweest dan zeven. Hun percentage van het totaal aantal vogels dat zowel klok als tjokken ge-zongen heeft schommelt in genoemd tijdsbestek tussen 0 en 4%. Kijken we naar de waterslagers die voor de tjokken met 15 en 16 punten zijn beoordeeld, dan is het aantal vogels dat daarnaast ook nog een zeer goede klokkende waterslag wist te zingen, over de gehele periode 2008-2024 bekeken, op de vingers van één hand te tellen, nl. drie waterslagers.
Waterslagers die zowel een zeer goede klokkende waterslag beheersen en daarnaast ook nog zeer goede tjokken zingen komen voor. Het is dus niet onmogelijk.
Hun aantal is echter zo klein dat we gerust mogen spreken over de spreekwoordelijke uitzonderingen op de regel.
Dat we deze conclusie kunnen trekken over een periode van 17 kweekseizoenen duidt er op dat er meer aan de hand is dan toeval. Willen we in ons lied de tjokken verbeteren naar
ruim in het ‘zeer goede’ dan laten de meetresultaten zien dat het heel aannemelijk is dat we op de kwaliteit van de klok zullen inleveren en andersom. Het streven naar een stam waterslagers die zo-wel beschikt over een klok van 25 punten of meer en tjokken zingt van 15 pnt. of hoger lijkt op voorhand een missie die tot mislukken gedoemd is.
In Tabel 6 en Tabel 8 zijn
voor de tjokkenrol met de tjokken vergelijkbare ge-gevens weergegeven en de resultaten duiden er op dat de verschillen tussen tjokken en tjokkenrol verwaarloosbaar klein zijn. Hetgeen hierboven is beweerd aangaande de tjokken geldt dus evenzo voor de tjokkenrol.

NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 – zowel klokkende waterslag ≥ 25 pnt als tjokken (Tabel 5) en tjokkenrol (Tabel 6)  ≥ 13 pnt

Tabel 7                                                     Tabel 8

jaar

Aantal klok ≥ 25 pnt.

waarvan

tjok  ≥ 13 pnt

%

 

Aantal klok ≥ 25 pnt.

waarvan tjokrol

≥ 13 pnt.

%

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

2008

15

4

26,7

 

15

1

6,7

2009

13

5

38,5

 

13

2

15,4

2010

7

0

0

 

7

1

14,3

2011

13

6

46,1

 

13

7

53,8

2012

7

3

42,9

 

7

2

28,6

2013

18

0

0

 

18

6

33,3

2014

19

5

26

 

19

4

21,1

2015

5

4

80

 

5

1

20

2016

6

1

16,7

 

6

0

0

2017

7

2

28,6

 

7

1

14

2018

5

0

0

 

5

0

0

2019

14

7

50

 

14

4

28,6

2020

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

2021

Geen wedstrijd-corona

 

 

 

 

2022

50

7

14

 

50

7

14

2023

35

3

8,6

 

35

5

14,3

2024

30

1

3,3

 

30

1

3,3


Inkooien 38e clubkampioenschappen op 2 januari 2025. Vlnr. Rob Bisschops, Jan Zonderop, Krien Onderwater en Piet Hagenaars. De laatste keer dat bij de NZHU tjokken en tjokkenrollen werden gehoord die echt indruk maakten was op de afluisterochtend op 25 november 2023 met vogels van Rob Bisschops.

Tijd voor een ‘wake up call’?
Als ik in het voorjaar naar of van mijn volkstuin over de Cantineweg in Katwijk fiets spits ik altijd de oren om te horen of ik in het duinstruweel een nachtegaal hoor zingen. Als dat het geval is en ik in het nachtegaallied iets bijzonders hoor komt het regelmatig voor dat ik even stop om te luisteren. Het zijn dan niet de klokkende en rollende waterslag die mij doen stoppen, ook niet de leuke knorren en fluitenrollen die je wel eens hoort, maar vooral de smekende ‘doe’ fluiten en, als kers op de taart, de tjokkenpartij, zowel tjokken als tjokkenrollen. Zo mooi als een nachtegaal ze kan zingen hoor je ze bij een waterslager hoogst zelden. Op de afluisterochtend van 25 november 2023 zette, tijdens de afluisterochtend, Rob Bisschops een stam vogels op en toen die het op hun heupen kregen en ik m’n ogen even dicht deed waande ik me in de duinen, tussen de nachtgalen: schitterende tjokken en tjokkenrol-len. Twee vogels werden tijdens de keuring gewaardeerd met 15 pnt. Voor de vormen die ze op die zaterdagochtend zongen hadden van mij meer vogels 15 of zelfs 16 pnt. mogen krijgen.
Ik heb wat met die tjokkenpartij, dat zal de lezer inmiddels wel duidelijk zijn. Ik vind het een op en top nachtegaaltoer die volkomen thuis hoort in het waterslagerlied. Sterker: Een waterslager zonder
aansprekende tjokkenpartij vind ik eigenlijk geen waterslager. Ook ik moet met lede oren aanhoren hoe in het lied van mijn eigen vogels de watertoeren sterk zijn verbeterd, maar de tjokkenpartij, i.h.b. de tjokken, door mijn vogels nauwelijks in het ‘goede’ wordt gezongen. Ik heb ze in mijn vogels wel gehad, ruimschoots, maar dat is inmiddels al weer jaren geleden en toen was het klokkend waterwerk in mijn vogels ook een stuk minder.
Hoewel zeer mooie klokken en zeer mooie tjokken in één waterslager verenigd een zeldzaamheid is, zoals de meetresultaten aantonen, zijn is er ook geen aanwijzingen dat de zeer mooie tjokken, van 15 pnt. en hoger, schaarser zijn geworden door een grotere focus op de kokkende waterslag. De teloorgang van de mooie tjokken is al bijna vijftien jaar gaande. Wat hiervan de oorzaak is blijft vooralsnog een vraag. Het lijkt er op dat kwekers zich minder op de tjokkenpartij focussen; deze toeren hebben kennelijk aan populariteit behoorlijk ingeboet.
Wordt het daarom geen tijd de tjokken en tjokkenrollen, als echte nachtegaaltoeren, uit het ‘verdoemhoekje te halen en wat meer op een voetstuk te plaatsen, zodat in de toekomst in de rubrieken tjokken en tjokkenrollen wat vaker door de keurmeester ‘15 pnt.’ op het keurbriefje geschreven kan worden.

Studiedag 38e clubkampioenschappen op 4 januari 2025. Gerard van Zuijlen en Piet Hagenaars bij de bar.

Epiloog
Uit bovenstaande mag wel de conclusie getrokken worden dat de focus van de meeste kwekers, die nu waterslagers inzenden voor de wedstrijden van de NZHU, gericht is op een zo mooi mogelijke klokkende waterslag. De klokkende waterslag is de hoofdtoer in het waterslagerlied, laat daar geen twijfel over bestaan. Maar hebben we met onze welhaast eenzijdige focus op de klok de kwaliteit van de overige toeren een beetje uit het oog verloren, in het bijzonder de toer die het ‘natuurlijke slachtoffer’ wordt van deze bovengemiddelde aandacht voor de klok: de tjokken.
De moraal van dit artikel is duidelijk. Wanneer we de kwaliteit van de tjokken in het lied van onze waterslagers willen opkrikken naar het zeer goede, bijvoorbeeld naar meer vogels met 14 en 15 pnt. zullen
we moeten accepteren dat deze vogels geen klokken van 26 en 27 pnt. zullen zingen. De morele vraag is dus: Willen we dit? Zijn we zo flexibel in ons denken dat we ons er bij kunnen neerleggen dat onze waterslagers voor de klok niet hoger scoren dan 24 pnt., maar wel voor tjokken 14 of 15 pnt. krijgen? Of zijn de klokken van 27 pnt. voor ons inmiddels zo ‘heilig’ geworden dat praten over vermindering van de kwaliteit van de klok een soort ‘heiligschennis’ is. Ik heb de indruk dat het tegenwoordig wel een beetje die richting opgaat.

Ik wil tot slot onze waterslagerkeurmeesters een huiswerkvraag meegeven en zal mijn eigen vogels als voorbeeld nemen. Het afgelopen seizoen was ik best wel tevreden over de kwaliteit van het waterwerk van mijn vogels. Ze brachten, zowel in mijn ogen als in die van de keurmeesters, een klokkende en rollende waterslag die ruim in het zeer goede vertoefde. Over de tjokkenpartij was ik een stuk minder tevreden. De tjokkenrollen gingen nog wel, maar de tjokken vond ik ‘bedroevend’. Wanneer we als basis de driedeling voldoende, goed, zeer goed hanteren, zou ik de tjokken van mijn vogels laag in de categorie ‘goed’ indelen. Als ik ze vergelijk met de tjokken die de vogels van Rob Bisschops op 23 november 2023 zongen verdienden ze, mijn inziens, zeker niet meer dan 9 punten. Ik kreeg keurlijsten met waarderingen voor de tjokken die twee tot drie punten hoger waren dan ik ze zelf waard vond. Luisterend naar de vogels op de studiedag van de NZHU heb ik de indruk dat dit niet alleen bij mijn vogels het geval is. Wanneer je de vogels hoort die voor tjokken 11 punten krijgen en vogels waarvan de tjokken beoordeeld worden met 14 pnt. dan is, naar mijn oordeel, het verschil van drie punten lang niet in overeenstemming met het kwaliteitsverschil in de ge-zongen toervormen. De huiswerkvraag is derhalve: Hebben we in het afgelopen decennium het ‘verdwijnen’ van de tjokken die met 15 pnt. gewaardeerd kunnen worden een handje geholpen door vogels te ‘matsen’ met meer punten voor tjokken dan ze, overeenkomstig de driedeling voldoende, goed, zeer goed, verdienden?
Zouden we het kweken van de mooie tokken en tjokkenrollen niet stimuleren door in de beoordeling het kwaliteitsverschil meer in de puntentoekenning tot uitdrukking te laten komen?
Willen we in het waterslagerlied de tjokkenpartij, na ruim tien jaar ‘verwaarlozing’, weer de positie teruggeven waarop deze toeren, als echte nachtegaaltoeren, aanspraak mogen maken, dan is er veel werk aan de winkel, op diverse fronten.
 
Keuringsdag 38e clubkampioenschappen, 3 januari 2025. Waterslagerkeurmeester Toon van Gestel aan het werk.

Ik wil eindigen met een algemene opmerking en een oproep. Bovenstaande conclusies en pleidooien zijn gebaseerd op de resultaten van de wedstrijden van één vereniging, de NZHU. Het merendeel van de inzenders voor de clubkampioenschappen van de NZHU wonen in het westen van Nederland. In hoeverre bovenstaande een landelijk beeld vertegenwoordigt is onbekend. Daarvoor is het nodig dat ook andere organisaties een vergelijkbaar onderzoek doen, bijvoorbeeld van wedstrijden waarvoor vooral kwekers uit het oosten van Nederland waterslagers inschrijven. Ik ben heel benieuwd of iemand ‘in den lande’ deze handschoen zou willen oppakken.

-0-


TOP