De leden van de Speciaalclub Zang NZHU wonen verspreid over
Nederland. Het clubblad is daarom een belangrijk middel om elkaar te
informeren en ervaringen uit te wisselen. In het Contactblad vindt men verslagen
van de door de Speciaalclub georganiseerde activiteiten en artikelen met betrekking
tot het houden en fokken van zangkanaries, i.h.b. harzers, waterslagers en
timbrado's.
Uitgangspunt is om drie keer per jaar een editie van het
Contactblad uit te geven.
Op deze site is de laatste editie van het Contactblad
integraal geplaatst.
Elders op deze site vindt men ook, op onderwerp
gerubriceerde, artikelen uit vorige edities van het Contactblad.
De eindredactie en distributie van het Contactblad is in
handen van:
Jaap Plokker
Hercules 86
2221 MD Katwijk
Hieronder vindt men de in 2025 verschenen edities van het clubblad van de Speciaalclub Zang NZHU, met uitzondering van de novemberuitgave, die vooral verenigingsinfo bevat.
De Speciaalclub is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebber
Januari
2025, 41e jaargang, nr. 1
- Afluisterochtend 23 november 2024
- Verslag clubkampioenschappen 2024
- Elk nadeel heb z’n voordeel; verenpikken
- Even het licht niet gezien, met alle gevolgen van
dien
- Zangkanaries kweken over de grenzen;
zangkanariewedstrijd in Nieuw
Zeeland
-0-
Afluisterochtend 23 november 2024
door Jaap Plokker
Op zaterdag 23 november 2024 werd voor de dertiende keer een afluisterochtend georganiseerd. Behalve het met elkaar luisteren naar, hopelijk, mooie vogels is deze activiteit ook bedoeld om zich verder te bekwamen in het kritisch luisteren en beoordelen van het lied.
Onze gebruikelijke
afluisteractiviteit werd gehouden op zaterdagochtend 23 november 2024. Er
was dit jaar weinig belangstelling. Drie liefhebbers hadden vogels
meegenomen, t.w. Rob Bisschops, Jaap Plokker en Jan Zonderop. Tinus Teeuwen
en Piet Hagenaars completeerde het gezelschap tot vijf.
Alvorens de vogels op tafel kwamen werd eerst onder het genot van een door
Piet Hagenaars gezet kopje koffie de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Zo had
Tinus Teeuwen wederom een rampzalig verlopen kweekjaar gehad. Na een
aanvankelijk redelijk succesvol broedseizoen begon hij in de zomer, evenals
vorig jaar, dode vogels op te rapen en inmiddels was er nog maar een fractie
van zijn vogelbestand in leven. Hij staat voor een raadsel; hij weet
eigenlijk niet wat hem overkomt en hoe dat op te lossen.
Voordat er naar de eerste vogels werd geluisterd vroeg Jaap Plokker in het
achterhoofd te houden welke twee viertallen het meeste indruk hadden
gemaakt. Hij had bij de visboer twee gerookte ‘mekrieltjes’ gekocht en die
moesten aan het eind toch een terechte bestemming krijgen. Om 10.15 u.
kwamen de eerste vogels op tafel en vervolgens konden alle meegenomen vogels
hun zangkunsten vertonen.
Verloop
Over de gehele linie zongen de meegenomen vogels
goed door en viel er dus veel te bespreken. De vogels van Jaap zongen wel,
met name een overjarige vogel die een mooi compleet lied zong met alleszins
acceptbel waterwerk, sprong er echt tussenuit. Bij de overige vogels was
heel goed hoorbaar dat ze nog een studieweg te gaan hadden. Jaap vertelde
dat zijn jonge mannen erg laat door de rui waren gekomen en hij ze liever
nog in de vlucht had laten zitten, maar vanwege de wedstrijd van De
Kanarievogel ze half november toch maar had opgekooid. Ze zaten dus koud een
week in het zangkooitje.
.jpg)
Afluisterochtend, 23 november 2024. Vlnr. Piet
Hagenaars, Rob Bisschops, Tinus Teeuwen en Jan Zonderop luisteren met een
kritisch oor naar een stam waterslagers.
Evenals vorig jaar vielen de vogels
van Rob Bisschops op door een heel mooie tjokkenpartij, met name de
tjokkenrollen klonken als bij nachtegalen. Soms waande je je in de duinen.
Tussen dit geweld klonk toch ook leuk waterwerk. Rob had zelf de indruk dat
de tjokkenpartij vorig jaar beter was dan nu.
Naar aanleiding van de vogels van Rob Bisschops spraken we ook over een
vraagstuk dat tijdens het afluisteren op de jaarvergadering eveneens aan de
orde kwam. Waarom horen we zo weinig goede tjokken? Mooie tjokkenrollen zijn
volop te beluisteren, maar zeer goede, uitgesproken (nachtegaal) tjokken
lijken een zeldzaamheid te zijn geworden. Andries Gort gaf op de
jaarvergadering aan dat hij de indruk heeft dat dit verschijnsel niet van de
laatste tijd, maar al jaren gaande is.
Een in waterslagerkringen heersende ‘wijsheid’ is dat klokken en tjokken
elkaar bijten, oftewel, wanneer een vogel in één van de twee uitblinkt, gaat
dat ten koste van de kwaliteit van de ander. Is dit een ‘broodje aap’
verhaal, of zit er een kern van waarheid in? Degelijk onderzoek is er nooit
naar gedaan, voor zover ik weet althans. Bovendien zullen er altijd
uitzonderingen opgevoerd worden, die mogelijk de regel bevestigen. Maar
klopt het dat bij kwekers in het afgelopen decennium er een toenemende
aandacht is voor kwaliteitsverbetering van met name de klokkende waterslag,
en van een eventuele grotere focus op de klokkende waterslag de tjokken het
kind van de rekening kan zijn geworden? Een interessante vraag, die bij het
ontbreken van harde gegevens lastig met degelijke onderbouwing te
beantwoorden is. Jan Zonderop had acht vogels meegenomen: vier overjarige en
vier jonge mannen. De vier overjarige waren van verschillende kwekers. Hij
had ze minstens een jaar in zijn verblijf. Jan zette ze op tafel met de
boodschap: zoek de verschillen. Het waren geen vier identieke vogels, maar
dat kan je ook hebben met vier broers. Maar de algehele teneur was toch wel
dat de aangekochte vogels in Jan’s vogelverblijf hun zang behoorlijk hadden
aangepast aan het dominante zangmilieu. Een vogel met uitgesproken andere
zang zat er niet tussen.
De vier jonge mannen zongen, zoals we van Jan’s vogels gewend zijn, een
aangenaam lied met mooi waterwerk. Overigens had Jan voor het
afluistermoment voorafgaand aan de jaarvergadering ook jonge vogels
meegenomen en die maakten op mij meer indruk dan de vogels die ik zaterdag
had gehoord. Met name het klokkend waterwerk klonk op dinsdagavond beduidend
beter dan op zaterdagmorgen.
Omstreeks twaalf uur waren alle vogels uitgebreid op tafel geweest en besproken en moesten de gerookte ‘mekrielen’ worden verdeeld. Jaap besloot Jan en Rob er elk één mee te geven. Jammer dat er maar weinig kwekers en vogels waren, maar desondanks hebben de aanwezigen een gezellige en onderhoudende ochtend gehad.
-0-
Verslag Clubkampioenschappen 2024
door Jaap Plokker
Van 2 t/m 4 januari 2025 organiseerden we onze 38e clubkampioenschappen. Voor de zevende keer vond dit evenement plaats in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, tevens het clubgebouw van vogelvereniging ‘De Kanarievogel’.
Met Kerstmis op woensdag en donderdag en Nieuwjaar op woensdag waren er voor de Kerst en tussen Kerst en Nieuwjaar geen drie aaneensluitende dagen om onze clubkampioenschappen te kunnen houden. Ook de week voor Kerst was geen optie, omdat op de derde zaterdag van de maand De Kanarievogel haar maandelijkse voer- en vogelbeurs heeft. Kortom, er zat niets anders op dan de clubkampioenschappen na Nieuwjaar te organiseren, nl. op 2 t/m 4 januari 2025.
Kweekseizoen 2024 verliep voor iedere kweker niet naar wens. Diverse leden werden met tegenslag geconfronteerd, waardoor er onder de leden substantieel minder vogels beschikbaar waren voor de clubkampioenschappen. Na het sluiten van de inschrijving bleken 9 leden vogels te hebben ingeschreven. Eén lid schreef 8 Hazers in; 9 leden 138 waterslagers. Deze waren als volgt verdeeld: 18 stammen, 17 stellen en 32 enkelingen.
.jpg)
38e clubkampioenschappen. Opbouwen
keurkamers. Vlnr. Krien Onderwater, Piet Hagenaars en Tinus Teeuwen.
Opbouw en inkooien 2 januari 2025
Op donderdag 2 januari 2025 was ca. 10.00 u. de
opbouwploeg, bestaande uit Piet Hagenaars, Krien Onderwater, Jaap Plokker,
André Toet en Gerard van Zuijlen in het gebouw present om de keurkamers met
toebehoren op te bouwen en de tafels met vervoerkoffers klaar te zetten
voor het inkooien, etc., etc. Vanwege de 138 ingeschreven waterslagers waren
er maar drie keurmeesters nodig en moesten er dus ook maar drie keurkamers
opgezet worden. Zoals gebruikelijk had de vogelvereniging ‘De Kanarievogel’
begin december gebruik gemaakt van ons wedstrijdmateriaal en bij het pakken
van het voor hen benodigde materiaal was dus al een deel van het door ons te
gebruiken materiaal in het gebouw. Terwijl het ene groepje zich bezig hield
met het opzetten van de keurkamers haalden de anderen de benodigde extra
vervoerkoffers uit de opslag. Omstreeks 11.30 u.
stond nagenoeg alles op z’n plek en konden de inkooiers de inzenders
ontvangen. Inmiddels was ook Jan Zonderop gearriveerd, die het inkooien met
Piet Hagenaars zou begeleiden. Tegen 13.00 u. verscheen als eerste Willy
Kling met zijn zoon en 24 waterslagers; even na zeven uur kwam Rob
Bisschops, als laatste, zijn vogels brengen. Rob kan niet eerder komen,
omdat hij ook nog een winkel in rookwaren te runnen heeft. Brood op de plank
is nu eenmaal belangrijker dan een liefhebberij. Nadat Rob’s vogels waren
‘ingeklaard’ werden de koffers met de door desbetreffende keurmeester te
keuren vogels bij z’n keurkamer neergezet. Ook dit verliep heel vlot en om
19.30 u. konden de lichten uit en iedereen naar huis.
.jpg)
38e clubkampioenschappen. De opbouwploeg
aan de koffie. Vlnr. André Toet, Krien Onderwater, Tinus Teeuwen, Piet
Hagenaars en Gerard van Zuijlen
Keuringsdag 3 januari 2025
De keuringsdag, vrijdag 3 januari 2025, begon
voor Piet Hagenaars en Jaap Plokker om 07.30 u. met een kwartiertje ‘lichten
en luchten’ van de zangkanaries en vervolgens het aanzetten van het
koffiezetapparaat. Tegen ca. 08.15 u. kwamen als eersten de keurmeesters
Toon van Gestel en Willy Kling binnen. Kort daarop arriveerde ook Krien
Onderwater. Hij is het afgelopen jaar verhuisd van Rijnsburg naar Valkenburg
en kon het dus nog steeds op de fiets af.
Na het welkomstwoord van Jaap Plokker kregen de keurmeesters de blinde lijst
uitgereikt. Ze zouden alle drie enkelingen, stellen en stammen keuren en wel
in genoemde volgorde. Om 09.15 u. konden de eerste vogels op tafel gezet
worden.
De waterslagers werden dus door drie genoemde keurmeesters beoordeeld. In de
loop van de ochtend zou ook Jacques de Beer arriveren om de acht harzers van
Jan de Bruine te keuren.
Terwijl de keurmeesters de vogels beoordeelden en de keurbriefjes invulden
was elders in het gebouw het wedstrijdsecretariaat in vol bedrijf: Piet
Hagenaars verzamelde de keurlijsten en Tiny Zonderop voerden in de computer
de resultaten in. Vervolgens gingen de keurlijsten naar Jan Zonderop, die er
de naam van de inzender en het ringnummer op schreef en ter afsluiting de
achterzijde voorzag van een verenigingsstempel.
Om 12.30 u. werd de keuring onderbroken voor een aperitiefje en omstreeks
12.45 u. kon iedereen aan tafel. Er stond een door Gerard van Zuijlen
verzorgde broodmaaltijd gereed en voor degene die belangstelling had was er
ook nog een door Jaap Plokker gekookte kom snert. Niemand liet verstek gaan;
de snertpan ging helemaal leeg.
Na de maaltijd, waarvoor uitgebreid de tijd werd genomen en het ene na het
andere verhaal over tafel ging, togen de keurmeesters weer aan het werk.
Omstreeks 15.30 u. waren alle vogels gekeurd en kon men aan de slag om de
keurkamers af te breken, de waterslagers in de tentoonstellingsruimte weer
op volgorde te zetten en na te lopen op water en voer. Ook de
afluisteropstelling voor zaterdag werd in orde gemaakt.
Daarna was aan vrijwel iedereen een welverdiende rust gegund. Dat gold niet
voor Jaap Plokker en Piet Hagenaars die nog een klusje te klaren hadden: het
in orde maken en drukken van de catalogus en de oorkondes die daags daarop
respectievelijk aan de inzenders en prijswinnaars zouden worden uitgereikt.
Piet had zijn sealapparaat meegenomen naar het clubhuis. Omstreeks 20.00 u.
was de catalogus klaar, de oorkondes geseald en konden ook zij naar huis.
.jpg)
38e clubkampioenschappen. Inkooien. Jan de
Bruine haalt zijn vogels uit de tas terwijl Jan Zonderop en Piet Hagenaars
klaar staan om ze weg te brengen.
Studiedag 4 januari 2025
Op zaterdag 4 januari 2025 hadden we onze
traditionele studiedag. De dag begon met het vaste ritueel van het open
zetten van de koffers zodat de vogels konden eten en drinken. Om 09.00 u.
arriveerde Krien Onderwater en konden de ringen van de belangrijkste
prijswinnaars gecontroleerd worden.
Vanaf 09.30 u. druppelden de eerste mensen binnen en ca. 10.15 u. opende
Jaap Plokker de studiedag met een korte toespraak, die besloten werd met de
bekendmaking van de prijswinnaars. Vervolgens werden de catalogi en
keurlijsten uitgedeeld. Nadat die in ontvangst waren genomen volgde een
periode waarin men het erg druk had met het bestuderen van de catalogus, de
eigen keurlijsten en die van de tafelgenoten. Inmiddels was het aantal
bezoekers gegroeid en het dus de hoogste tijd om de eerste vogels af te
luisteren.
Gezien het te verwachten bescheiden aantal aanwezigen was besloten de vogels
af te luisteren in het achterste gedeelte van de vergaderzaal, zodat de
kachel in de tentoonstellingsruimte op een lage stand kon blijven staan.
Om ca. 10.30 u. begon de eerste afluisterronde. Geheel volgens het
tijdschema ging iedereen om ca. 12.00 u. naar het conversatiegedeelte van de
vergaderzaal voor de middagpauze. Daar kon men aan het buffet zich voorzien
van waar men trek in had: er was keuze uit broodjes ham en kaas, een
slaatje, een bal gehakt en een kom erwtensoep. Behalve als een goede
secretaris en penning-meester ontpopte Piet Hagenaars zich ook als een
volleerd cateraar. Van de pauze werd tevens gebruik gemaakt om een
verlotingsronde te houden en wisselden de eerste orchideeën van eigenaar.
In de middag werden diverse stammen afgeluisterd. Uiteraard verschenen ook
prijswinnende stammen op tafel. In de stam van Jaap Plokker, die de derde
prijs had behaald, zat ook de meesterzanger. Verder de vice-kampioenen van
Willy Kling en de winnende stam van Krien Onderwater.
.jpg)
38e clubkampioenschappen.
Keuringsdag. Wedstrijdsecretariaat. Tiny Zonderop typt, t.b.v. de catalogus,
de keurresultaten in het computerbestand.
Terugkijkende op de afluistersessies
kon de conclusie getrokken worden dat vrijwel alle vogels lekker hadden
gezongen en laten horen waartoe ze in staat waren. Verder kon, wederom,
geconstateerd worden hoe de vogels van de verschillende kwekers in zang
kunnen verschillen. Zo klonken de uitgesproken slagvogels van, bijvoorbeeld,
Gerard de Brabander, Jan de Bruine en Krien Onderwater beduidend anders dan
de vogels van Willy Kling, Jan Zonderop en Jaap Plokker. Van enkele kwekers
kwam meer dan één viertal op tafel en dan blijkt van dezelfde kweker zelfs
de ene stam van de ander te verschillen. Zo moesten we bij de eerste vier
vogels van Willy Kling zoeken naar toervormen die ze daags daarvoor bij de
keurmeester kennelijk wel hadden gezongen en had zijn prijswinnende stam er
voor gekozen om zich vooral te concentreren op, overigens prima, rollend en
klokkend waterwerk. Ook Willy had geen verklaring voor de verschillen in
zang, die ook hij had geconstateerd, temeer dat dit hem thuis niet was
opgevallen.
Het is iedere keer weer verbazingwekkend hoeveel variaties van de klokkende
waterslag gezongen kunnen worden. Ik heb overigens de indruk dat de
klokkende waterslag, die we de laatste jaren op de studiedag van de NZJU te
horen krijgen, over de gehele linie er zeker niet minder op geworden is.
Daarentegen is het steeds meer zoeken naar zeer goede tjokken. Mooie
tjokkenrollen hebben we kunnen beluisteren, maar de zeer goede tjokken
lijken toch wel de dupe te zijn geworden van de focus op de klok.
Om 14.15 u. werd het laatste viertal
van tafel gehaald en nam iedereen plaats in de vergaderzaal voor een
drankje, een pauzepraatje en de tweede en laatste verloting. Dankzij Gerard
van Zuijlen zaten er weer schitterende orchideeën in de prijzenpot en de
meeste lotenkopers konden dan ook één of meer gewonnen orchideeën mee naar
huis nemen.
De studiedag werd traditioneel afgesloten met de prijsuitreiking. Dit jaar
bestond het ‘eremetaal’ wederom uit geldprijzen. Als blijvende herinnering
ontvingen de prijswinnaars en de derbywinnaar een oorkonde.
Geheel volgens planning kon om ca. 15.00 u., begonnen worden met het
uitkooien. Hierna volgden voor de medewerkers nog de grote schoonmaak.
Dankzij de welwillende medewerking van een aantal inzenders ging het
opruimen bijzonder snel.
Het wedstrijdmateriaal verdween in de opslag achter het gebouw, onder het
zeil. Om ca. 16.00 u. stond alles weer op z’n plaats en was de ruimte
veegschoon.
.jpg)
38e clubkampioenschappen.
Keuringsdag. Lunchtijd.
Slot
Tot slot is een bijzonder woord van dank op z’n
plaats. Ik wil Stichting Kleindierensport Katwijk bedanken voor het
beschikbaar stellen van het gebouw voor onze
wedstrijd en beheerder Bouwe Nijgh voor zijn welwillende medewerking, de
vereniging ‘De Kanarievogel’ voor het mogen gebruiken van hun faciliteiten
in hun clubgebouw. Een bijzonder dankwoord is op z’n plaats voor Tiny
Zonderop, die, nog maar net hersteld van een fikse griep en, wederom, een
oogoperatie, op vrijdag de keurresultaten in de com-puter heeft gezet. Ook
de leden die het bestuur hebben geholpen tijdens de opbouw- en
opruimwerkzaamheden en hand- en spandiensten hebben verricht tijdens de
wedstrijd- en studiedag, worden uiteraard in de dank betrokken, t.w. Jan
Zonderop, Krien Onderwater, Tinus Teeuwen en André Toet. Last but not least
wil ik m’n medebestuursleden, Piet Hagenaars en Gerard van Zuijlen bedanken
voor hun betrokkenheid en inzet zowel vooraf als tijdens de wedstrijd en
gedurende het verenigingsjaar 2024.
Onze 38e clubkampioenschappen werden voor de zevende keer
georganiseerd in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk. De
organisatie verliep geheel naar wens en de sfeer tijdens de studiedag was
ontspannen en gezellig. In een gemoedelijke sfeer werden de vogels
afgeluisterd en bediscussieerd. De pauzes werden volop benut om met elkaar
over vogels te kletsen. Het was daarom in mijn beleving van 2 t/m 4 januari
2025 goed toeven in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk. Ik
zie al weer uit naar de volgende wedstrijd en hopelijk zijn de leden die,
noodgedwongen, deze keer verstek moesten laten gaan dan weer met hun vogels
van de partij.
38e clubkampioenschappen. Studiedag
4 januari 2025. Na het uitdelen van de catalogus dook iedereen in de
keurresultaten.
Prijswinnaars clubkampioenschappen 2024
Harzers:
Meesterzanger: Jan de Bruine, 89 pnt.
Waterslagers:
Meesterzanger en winnaar NBvV Bondskruis: Jaap
Plokker, 149 pnt.
Stammen: 1e prijs: Krien Onderwater, 597 pnt.; 2e
prijs: Willy Kling, 591 pnt.; 3e prijs: Jaap Plokker, 589 pnt.;
Stellen: 1e prijs: Jan Zonderop, 292 pnt.; 2e prijs:
Willy Kling, 292 pnt.; 3e prijs: Jan Zonderop, 290 pnt.
Enkelingen: 1e prijs: Gerard de Brabander, 144 pnt.; 2e
prijs: Willy Kling, 142 pnt.; 3e prijs: Gerard de Brabander, 140
pnt.
Derby: Willy Kling, 147 pnt.
.jpg)
38e clubkampioenschappen. Studiedag 4
januari 2025. Afluisteren.
-0-
Elk nadeel heb z’n voordeel - Veren pikken
door Jaap Plokker
In dit artikel komen we nog eens terug op de discussie in ons clubblad over het fenomeen ‘veren pikken’. Recente praktijkervaringen wijzen, volgens Jaap Plokker, opnieuw, in een bepaalde richting.
Of de uitspraak ‘Elk nadeel heb z’n
voordeel’ van Johan Cruijff of van Willem van Hanegem is laten we hier even
in het midden, maar dat de werkelijkheid weleens zo kan uitpakken heb ik het
afgelopen jaar weer ervaren. In de vijftig jaar dat ik me bezig houd met het
kweken van kanaries overkwam mij in 2024 iets dat me nog nooit was
overkomen: aan het begin van het broedeizoen waren nagenoeg al mijn poppen
in de rui.
Uiteraard had ik wel de gehele winter ruiveertjes in de vlucht gevonden,
maar de ernst daarvan was niet echt tot me doorgedrongen. Toen ik eind maart
de poppen uitving om in de broedkooien te zetten schrok ik me een hoedje:
nagenoeg alle poppen hadden ruiverschijnselen. Die kon ik voor de kweek
afschrijven. Enkele poppen leken wel in broedconditie. Mijn vermoeden
klopte. De poppen die ik in maart voor de kweek had afgeschreven zijn nooit
in broedconditie gekomen. Van de poppen die op het oog geen
ruiverschijnselen vertoonden moest ik maar afwachten of ze iets gingen doen.
Uiteindelijk hebben vier van mijn 31 kweekpoppen een nest gemaakt en hebben
zij twaalf jongen grootgebracht. Ik zag eind maart 2024 mijn kweekseizoen
volkomen in duigen vallen, met het vooruitzicht in het najaar voor spek en
bonen bij de clubactiviteiten aanwezig te zijn.
Gelukkig staken leden van De Kanarievogel/NZHU een helpende hand toe. Jan
Zonderop had nog een pop over en bij Gerard de Brabander zaten nog vier
reservepoppen. Krien Onderwater stond op punt te gaan verhuizen en hij kon
maar één ronde doen. Hij bood mij aan om te proberen of poppen die bij hem
een rondje hadden gedaan bij mij ook nog een nest zouden maken. Dankzij de
medewerking van genoemde leden is het me in 2024 toch nog gelukt 30 jongen
op stok te krijgen. Uiteindelijk bleken het 17 mannen en 13 poppen te zijn.
Voor mijn stamopbouw was 2024 een nagenoeg verloren jaar, maar ik had het
vooruitzicht voor de wedstrijd een aantal vogels te kunnen inschrijven.
Een voorbeeld van preventie tegen verenpikken.
In de volière van Jan Zonderop kan iedere individuele vogel een zitplek
vinden waarop hij/zij niet door anderen kan worden gepikt
Tijdens de kweek viel me op dat ik
bijna geen last had van poppen die bij de pas uit het nest gekomen jongen de
staarten uittrokken. Al jaren let ik er op dat poppen van hun jongen
afblijven. Niet altijd met succes. Nu zat ik opeens met een volière met
jonge vogels met volledige staarten. Dit was me in jaren niet overkomen.
Altijd zaten er wel tussen van wie de staartpennen waren uitgetrokken.
Na het broedseizoen heb ik de poppen gescheiden gehuisvest: jong bij jong,
eigen bij eigen en vreemd bij vreemd. Ik constateerde dat in de vlucht met
de overjarige eigen poppen er beduidend meer bij elkaar werd gepikt dan in
de andere vluchtjes.
Moraal van het verhaal. Steeds meer
neig ik naar de gedachte dat verenpik-ken door poppen weinig te maken heeft
met een voedingsgebrek of het zoe-ken naar nestmateriaal, zoals zo vaak
wordt beweerd. Alle vogels verbleven onder dezelfde omstandigheden en kregen
hetzelfde voer. Toch werd er in de vlucht met overjarige eigen poppen meer
gepikt dan in de andere. Naarmate ik er serieuzer op let kom ik steeds meer
tot de conclusie dat de eigenschap van poppen om hun jongen, soms al in
nest, de veren en staartpennen uit te trekken in de vogel zelf zit en
erfelijk wordt doorgegeven. Er zijn dus bloedlijnen die pikken en
bloedlijnen die niet pikken.
Ik ben er van overtuigd dat we kunnen afkomen van voorzetkooitjes voor de
broedkooien, dubbele broedkooien met tralietussenschotjes tussen pop en
jongen en wat er al niet meer wordt gedaan om te voorkomen dat poppen hun
jongen pikken, cq. de staart uittrekken, door streng te selecteren en
pikkende poppen én hun nazaten doelgericht uit ons kweekbestand te
elimineren.
In welke mate de man in het doorgeven van deze eigenschap een rol speelt heb
ik nog niet ontdekt, maar dat zal ongetwijfeld het geval zijn. Mogelijk dat
anderen hier wat meer zicht op hebben.
Het jaar 2024 had dus geen broedseizoen waarop ik met plezier terugkijk. Desondanks was er echter toch ook een positieve ervaring, namelijk dat ik door te kweken met veel ‘vreemde’ poppen, opnieuw, ben bevestigd in mijn veronderstelling dat het verenpikken bij jongen door poppen in grote mate een erfelijk overdraagbare eigenschap is. Het stimuleert me om door te gaan op de weg die ik heb ingeslagen om deze vervelende eigenschap steeds meer uit mijn eigen bloedlijnen te selecteren.
Nog een plaatje uit de volière van Jan
Zonderop.
-0-
Even het licht niet gezien, met alle gevolgen van dien
door Jaap Plokker
Vogels uit gematigde streken reageren op licht. In broedstemming komen, zangontwikkeling, ruien, enz. alles wordt gereguleerd vanuit de hersenen. Die zetten bepaalde ontwikkelingen in het vogellichaam in gang, aan de hand van het toe- of afnemend aantal lichturen. Wij kunnen dit sturen en daarmee, bijvoorbeeld, het moment van het broedseizoen naar onze hand zetten. Ook kan verlichting zorgen voor onwelkome ervaringen. Daarover gaat dit artikel.
In de vijftig jaar dat ik me bezig
houd met het kweken van kanaries overkwam mij in 2024 iets dat me nog nooit
was overkomen: aan het begin van het broedeizoen waren nagenoeg al mijn
poppen in de rui. Uiteraard had ik wel de gehele winter ruiveertjes in de
vlucht gevonden, maar dat was niet tot me doorgedrongen als een serieus
probleem. Toen ik eind maart de poppen uitving om in de broedkooien te
zetten schrok ik me een hoedje: nagenoeg alle poppen hadden
ruiverschijnselen.
Ik heb me suf geprakkiseerd wat hiervan de oorzaak zou kunnen zijn. In
eerste instantie denk je aan een verlichtingsprobleem. Dit leek mij
uitgesloten. Al ruim veertig jaar woon ik in dit huis en volg al die tijd
hetzelfde recept voor mijn belichting: ’s morgens geen bijlichten en avonds
tot 19.15 u. vol licht en daarna een spaarlampje dat om 19.30 u. uitgaat.
Van een mogelijk tijdelijk belichtingsincident was ik me niet bewust. Wel
staat al die jaren bij mij een straatlantaarn op ca. 7 meter van mijn
vogelverblijf. Het enig mogelijke buitenlicht in mijn vogelverblijf komt van
een lichtkap in het dak. Via die lichtkap komt er dus ook licht van de
straatlantaarn in het vogelverblijf. Tot dusver heb ik daarvan, bij mijn
weten, in die ruim veertig jaren nooit nadelige gevolgen ervaren.
.jpg)
38e clubkampioenschappen. Studiedag 4 januari
2025. Afluisteren. Als er vogels op tafel stonden werd er aandachtig naar ze
geluisterd.
Dat het ruiprobleem in de winter van
2024 geen uniek incident was, waarvan de oorzaak me was ontgaan, bleek in
het najaar van 2024. Jonge mannen kwamen laat door de rui en dus op zang.
Halverwege november vertoonden nog heel veel jonge mannen studiezang, maar
ik heb ze toch maar opgekooid. Veel poppen kwamen slecht door de rui en eind
november vond ik nog overal ruiveertjes, ook bij de overjarige poppen die
niet gebroed hadden. De ervaringen in 2024 lieten zich dus niet
categoriseren als een eenmalige gebeurtenis, maar veeleer als het eerste
hoofdstuk van een feuilleton met hoeveel delen, cq. jaren? Ik had geen
idee.
38e clubkampioenschappen. Studiedag 4 januari
2025. Tijdens de pauze konden met de verloting weer schitterende orchideeën
gewonnen worden.
Straatlantaarn
In de loop van het jaar 2024 was mij
tijdens de onderonsjes op de bijeenkomsten van De Kanarievogel door anderen
gewezen op de straatlantaarn als mogelijke boosdoener. Ik had dat steeds
weggewuifd, omdat hij er al jaren staat. Onvoldoende was tot me
doorgedrongen dat ook een mogelijke verandering in de lichtintensiteit van
de straatverlichting ter sprake was ge-komen. Nu, in november 2024,
kweekjaar 2025 dezelfde ramp dreigde te worden als 2024 was geweest werd
het toch zaak de straatlantaarn aan een nader onderzoek te onderwerpen. Ik
kwam tot de ontdekking dat waar in het verleden ik in Katwijk in de lamp van
een straatlantaarn kon kijken dit nu niet meer het geval was. Had men de
lampen in de straatlantaarns vervangen door LED verlichting, dat veel feller
is dan de TL of halogeen lampen, die tot dan toe gebruikelijk waren? Het
lijkt er wel op, maar ik heb geen flauw idee wanneer dat is gebeurd: In
2024, of al in 2023?
38e clubkampioenschappen. 4 januari 2025.
Prijsuitreiking.
Krien Onderwater was dit jaar kampioen stammen waterslagers.
LED verlichting
LED verlichting is energiezuinig,
maar wel heel fel, soms te fel. Even ‘googelend’ op internet ontdek je dat
aan langdurig vertoeven bij LED verlichting nadelen kunnen zitten. LED
verlichting kan voor het oog onzichtbare flikkeringen geven die wel door de
hersenen worden geregistreerd. Ook te fel licht kan een effect op de
hersenen hebben. In beide gevallen kan constant verblijf in ruimtes met LED
verlichting leiden tot gezondheidsproblemen. Zou wat op mensen van
toepassing is ook niet voor dieren kunnen gelden, in ons geval vogels? In
dit verband hoorde ik bij de vogelvereniging De Kanarievogel een zeer
interessante praktijkervaring. Eén van de leden kweekt grote parkieten en
heeft behoorlijk wat kunstverlichting in zijn vogelverblijf. Uit
energiebesparing heeft hij al zijn oude lampen vervangen door LED
verlichting. In het eerstvolgende broedseizoen kweekte hij geen veer. Op
zoek naar de oorzaak kon hij alleen bedenken dat zijn enige verandering met
voorgaande jaren het vervangen van de lampen was geweest. De proef op de som
nemend heeft hij de LED verlichting weer vervangen door de oude lampen. De
kweek verliep als vanouds. Bij hem komen er dus voorlopig geen LED lampen in
zijn vogelverblijf. Zou door de nieuwe LED verlichting in de straatlantaarn
de biologische klok van mijn zangkanaries van slag zijn geraakt?
.jpg)
38e clubkampioenschappen. 4 januari 2025.
Uitkooien.
Maatregelen
Toen ik in het donker in mijn
vogelverblijf kwam schrok ik wel van de hoeveelheid licht die van de
straatlantaarn via de lichtkap naar binnen kwam. In mijn beleving was dat
veel meer dan vroeger het geval was. Ik besloot de reductie van het licht,
dat ’s nachts via de lichtkap, mijn vogelverblijf binnendrong rigoureus aan
te pakken. Het licht van de straatlantaarn komt van opzij dus heb ik van
donkergrijze vuilniszakken afkomstige plastic stroken verticaal opgehangen
waardoor het licht van boven wel naar binnen kan en de straatverlichting van
opzij wordt tegengehouden. Verder heb ik van de ronde straatlantaarn de
zijde die rechtstreeks richting mijn lichtkap schijnt met Duck tape
afgeplakt. Het is nu half december en het is inmiddels ’s nachts
aanmerkelijk donkerder in mijn vogelverblijf dan het in november was.
Inmiddels lijkt het wel of de poppen reageren op de veranderde lichtsituatie;
ik vind opeens veel meer ruiveren…... Overigens schijnen de overjarige
mannen er veel minder last van te hebben. Die zingen dat het een lieve lust
is en hebben in het voorjaar van 2024 gewoon bevrucht.
Het is nu afwachten of ik mijn
ruiprobleem heb opgelost en ….. of ik niet te laat ben geweest. In de regel
gaan mijn kweekpoppen rond 1 april in de broedkooi: vier maanden nadat ik
het licht van de straatlantaarn had getemperd. Ik heb dus enig respijt.
Slot
Weliswaar veel te laat, maar ik hoop
dat ik nu de oorzaak van de winter- en voorjaarsrui bij mijn
waterslagerpoppen heb ontdekt en de juiste maatregelen heb genomen. Hopelijk
komen er voldoende poppen in het voorjaar van 2025 toch nog op tijd in
broedconditie. De vogelhersentjes hebben in ieder geval vanaf begin december
’s van 19.30 u. tot zonsopkomst geen of nauwelijks lichtprikkels gehad. Om
de nacht nog, natuurlijker, langer te maken heb ik mijn licht medio december
nog verder teruggebracht en gaat nu om 18.45 u. het licht uit. Dit ondanks
dat twee koppels spitsstaartbronzemannetjes met jongen zaten. Voor de
zekerheid heb ik besloten geen enkele waterslagerpop, jong of oud, ‘eigen’
of ‘vreemd’ weg te doen. Wellicht zitten er straks toch een paar tussen die
willen broeden.
Ik heb duidelijk te laat het licht
gezien, en dat na vijftig jaar ervaring met het kweken van zangkanaries. Je
bent nooit te oud om te leren.
Ongetwijfeld zullen er vogelliefhebberds zijn die tot volle tevredenheid zijn overgeschakeld op LED verlichting. Heb je positieve of ongewenste ervaringen met kunstverlichting, cq. LED verlichting? Deel het met anderen, want met elkaar word je wijzer.
-0-
Zangkanaries kweken over de grenzen; zangkanariewedstrijd in Nieuw Zeeland
door Jaap Plokker
m.m.v. Karl Hansen
Al jarenlang heb ik op onregelmatige momenten e-mailcontact met Karl Hansen in Nieuw Zeeland. Karl is op 20 december jl. 49 jaar geworden en is een enthousiast vogelliefhebber met een brede interesse voor wat er op de wereld op het gebied van het kweken van vogels gebeurt. Hij kweekt zelf ook vogels, op bescheiden schaal. Een van zijn favoriete onderwerpen is de zangkanariekweek. Hij struint internet af om van alles op te pikken over zangkanaries, wedstrijden, enz. Ook wat er in Europa gebeurt volgt hij.
Nieuw Zeeland in het kort
Nieuw Zeeland ligt op een plaats
waar grote tektonische platen op elkaar botsen. Als gevolg hiervan zijn er
gebergteketens ontstaan en is er ook vulkanisme. Aan deze geologische
activiteiten dankt Nieuw Zeeland haar ontstaan. Vanwege de bewegende
tektonische platen en het vulkanisme zijn er vaak aardbevingen, meestal
kleine, maar soms ook grote. Nieuw Zeeland bestaat hoofdzakelijk uit twee
grote eilanden, het Noordereiland en het Zuidereiland. De hoogste bergen
vind je op het Zuidereiland met Mount Cooke als hoogste, ruim 3700 m. Tussen
beide eilanden heb je Straat Cooke. Het kost met het veerpont 3½ uur om van
het ene eiland naar het andere te varen.
Nieuw Zeeland ligt op het zuidelijk
halfrond en dat betekent dat in ons tentoonstellingsseizoen
de kwekers in Nieuw Zeeland hun broedseizoen hebben, en andersom. De
geografische positie van Nieuw Zeeland op het zuidelijk halfrond komt aardig
overeen met dat van Italië op het noordelijk halfrond. Uiteraard met het
verschil dat naarmate je meer naar het noorden van Nieuw Zeeland gaat het
klimaat steeds warmer wordt.
Van beide eilanden kent het
Noordereiland de meeste dicht bevolkte regio’s zoals Auckland, Hamilton en
de hoofdstad Wellington. Karl Hansen woont in Hamilton, een stad op het
Noordereiland, met ca. 150.000 inwoners.
.jpg)
Kaartje van Nieuw Zeeland met op het Noordereiland
onderstreept Hamilton, de woonplaats van Karl Hansen, en op het Zuidereiland
Christchurch, de plaats waar de tentoonstelling werd gehouden en
waar Karl
naar toe is geweest. Voor hem was het met het vliegtuig een vlucht van 90
minuten
Karl draait er zijn hand niet voor
om het vliegtuig te pakken om een vogeltentoonstelling te bezoeken. Zo ging
hij afgelopen voorjaar naar een grote vogeltentoonstelling in Christchurch.
Christchurch is de grootste stad op het Zuidereiland en heeft ca. 380.000
inwoners. Voor Karl betekende dit een vlucht van 90 minuten. Na twee dagen
Christchurch om de vogelshow te bezoeken, bleef hij nog drie dagen op het
Zuidereiland voor familiebezoek. Tijdens het bezoek aan de
vogeltentoonstelling maakte hij de hierbij afgedrukte foto’s van de
wedstrijd voor zangkanaries.
.jpg)
Een selfie van Karl Hansen
Andere harzers en het andere
‘mooi’
In Nieuw Zeeland kent men geen
waterslagers en een zangkanarie is daar dus per definitie een ‘Roller
Canary’, een harzer. De kweek met harzers in Nieuw Zeeland is geïntroduceerd
vanuit het Verenigd Koninkrijk. De Nieuw Zeelandse harzers stammen dus af
van Britse vogels, die naar het zuidelijk halfrond zijn gebracht, toen dat
nog kon.
Het in- en uitvoeren van vogels in
Nieuw Zeeland is namelijk vergelijkbaar met Australië, vrijwel onmogelijk
dus. Uitwisseling van kweekmateriaal over de grenzen is er daarom
nauwelijks. Omdat de Nieuw Zeelandse harzerkwekers het al decennialang
moeten doen met het interne vogelbestand is het lied van Nieuw Zeelandse
harzers daarom niet te vergelijken met de huidige harzers in Nederland. Men
hanteert daarom in Nieuw Zeeland ook heel andere normen omtrent het ideale
lied van een harzer dan op het Europese continent. De Nieuw Zeelandse
harzers laten ons mogelijk horen hoe harzers in de eerste helft van de
vorige eeuw in Europa zongen. Het zou dan ook best wel eens kunnen dat de
van een gevarieerd lied gecharmeerde waterslagerskwekers met veel meer
genoegen zullen luisteren naar Nieuw Zeelandse ‘Roller Canaries’, dan naar,
bijvoorbeeld, de huidige viertoeren harzers in Nederland. De kampioen,
waarvan hierbij een foto is afgedrukt, is voor maar liefst tien toeren
bewaardigd. Dat gaat, qua variatie in het lied, al aardig in de richting van
de waterslager en sluit ook veel meer aan bij de oorspronkelijke
harzerzang.
Bovenstaande toont eens te meer aan
hoe subjectief een begrip als ‘mooi’ is. Het zou ook van misplaatste
arrogantie getuigen wanneer ‘Europeanen’ de Nieuw Zeelandse harzers zouden
wegzetten als ‘ouderwets’ en ‘niet mooi’; ze zingen ‘anders’ en voor Nieuw
Zeelanders ‘mooi’. Wat je de Nieuw Zeelanders wel kan meegeven is dat zij,
wellicht noodgedwongen, trouw zijn gebleven aan de ‘roots’ van het
harzerlied en dat kun je van de ‘Europeanen‘ niet zeggen. Die hebben in de
loop van de vorige eeuw hun oren laten hangen naar voor-aanstaande (Duitse)
harzerkwekers, die voor anderen wel even zouden bepalen wat ‘mooi’ en ‘niet
mooi’ is. De invloed van deze ‘kopstukken’ heeft er niet alleen toe geleid
dat wat zij ‘mooi’ vonden inmiddels door de goegemeente als ‘mooi’ wordt
ervaren, maar bovendien tot algemeen geaccepteerde (internationale) norm is
verheven. Bovendien valt niet uit te sluiten dat zij hiermee niet alleen hun
prijzenkast en, wellicht nog belangrijker, ook hun zakken hebben kunnen
vullen. De vraag mag je dan ook stellen of de veranderingen in het lied van
de Europese harzer het gevolg is geweest van het streven naar ‘mooier’, of
dat, ten diepste, het spekken van de bankrekening van enkele vooraanstaande
kwekers het aanvankelijk beoogde doel was. We mogen in dit verband namelijk
niet vergeten dat de Duitse (harzer)zangkanariekweek een lange commerciële
traditie heeft en niet zozeer uit liefhebberij, maar veeleer door haar
functie als (neven)inkomstenbron groot is geworden.
-foto%20Karl%20Hansen%20Nieuw%20Zeeland%20(Custom).jpeg)
De ‘Roller Canary’ kampioen van Christchurch in 2024
Zangwedstrijden in Nieuw Zeeland
De kweek met harzers is in Nieuw
Zeeland geïntroduceerd vanuit het Verenigd Koninkrijk. Dat heeft heel andere
gebruiken wat betreft de wedstrijden voor zangkanaries dan op het Europese
vasteland, waar de Duitse invloeden volop zicht- en hoorbaar zijn. Grote
verschillen zijn de wedstrijdkooien en de keurlijsten aan de hand waarvan de
vogels worden beoordeeld. Een wedstrijd voor ‘Roller Canaries’, dus harzers,
in Nieuw Zeeland levert daarom plaatjes op die voor ons, in Nederland,
volkomen onbekend zijn. Om onze blik op onze sport wat te verruimen leek het
me wel leuk op een zangkanariewedstrijd in Nieuw Zeeland geschoten foto’s,
die Karl me mailde, te laten zien. Van Karl kreeg ik, desgevraagd, ook
aanvullende informatie.
Karl mailde me hoe een wedstrijd,
normaliter, in z’n werk gaat. De foto’s zijn genomen op een
vogeltentoonstelling in Christchurch, op het Zuidereiland. De ‘nationale’
kleuren van Christchurch zijn rood en zwart en dat kan je zien aan de
kleuren van de kampioensrozetten.
Op de ene foto zien we een gedeelte
van een stelling met kooien met ‘Roller Canaries’. De zangkooien, van het
Britse type wedstrijdkooi, zijn kistvormig en hebben qua formaat iets weg
van onze universeelkooi, terwijl de kleur, waarin de binnenkant van de kooi
is beschilderd, me doet denken aan de kleur van de binnenkant van de
speciale kooien voor kleurkanaries uit de tijd dat ik voor het eerst met de
vogelsport kennis maakte, dus beginjaren ’70.
De Britse zangkooi, die dus ook in
Nieuw Zeeland wordt gebruikt, heeft aan de voorzijde, voor het frontje, naar
links en rechts openklappende deurtjes. Aan de zijkant bevindt zich, zoals
bij onze universeelkooi, een deurtje waardoor de vogel de kooi in kan of er
uit gehaald kan worden. In de achterzijde zit een rond gaatje, ter grootte
van een 2 euro muntstuk/oude rijksdaalder. Hierdoor moet het licht naar
binnen komen waarbij de vogel, met gesloten deurtjes, toch zijn zaad en
water kan vinden. Op de stelling staan kooien met geopende deurtjes en ook
waarvan de deurtje dicht zijn en waarachter de vogel zich in het duister
bevindt.
De foto’s zijn genomen op een
wedstrijd van de Christchurch Bird Club waarvoor, naast ‘Roller Canaries’,
ook andere vogels werden ingezonden: grasparkieten, kromsnavels, kleur- en
postuurkanaries en tropische vogels.
Ik heb de indruk dat de wedstrijd
voor harzers werd georganiseerd door de New Zealand Roller Canary Club, die
zich bij de wedstrijd van de Christ-church Bird Club heeft gevoegd.
De harzerkeurmeester op de wedstrijd in Christchurch was afkomstig uit Featherston, een plaatsje ten noorden van Wellington op het Noordereiland. Hij had een aardige trip voor de boeg om op de wedstrijdlocatie te komen De afstand van zijn woonplaats naar Christchurch was over de weg bijna 500 km. Met de auto een ritje van 9 ½ uur, zonder pauze, maar inclusief een overtocht met het veerpont van het Noorder- naar het Zuidereiland. Ik zie onze penningmeester Piet Hagenaars al rekenen: heen en terug is 2 x 500 x € 0,30 = € 300,00 reiskostendeclaratie, exclusief bijkomende kosten van veerpont, overnachtingen, maaltijden, enz. De keurmeester uit Featherston had ook de mogelijkheid om met de auto naar Wellington te rijden en dan naar Christchurch te vliegen, een vlucht van nog geen uur. Hoe dan ook, afstanden zijn in Nieuw Zeeland van een heel andere orde dan bij ons: Krien Onderwater kwam dit jaar voor zijn keuring bij de NZHU op de fiets …...
De vogels worden op vrijdagavond
ingekooid. De zangkanaries worden in een aparte ruimte geplaatst, met de
deurtjes dicht. De keuring van alle vogels vindt plaats op zaterdagmorgen.
Sommige harzerkeurmeesters geven er
de voorkeur aan dat een uur voor de keuring de deurtjes worden geopend en de
vogel ca. 10 minuten de gelegenheid krijgt om te eten en te drinken. Daarna
gaan de deurtjes dicht en is het wachten tot de keuring.
De keurmeester bevindt zich in een
afgezonderde ruimte. Op zijn teken worden er door een voordrager drie of
vier kooitjes op een tafel voor de keurmeester neergezet. Vervolgens doet de
voordrager de deurtjes aan de voorkant van de kooitjes open en de
keurmeester begint zijn werk.
De voordrager neemt plaats achterin
de ruimte waar gekeurd wordt en krijgt na ca. een kwartier van de
keurmeester het teken dat de vogels weg kunnen en er andere voor in de
plaats mogen komen. Wanneer dat is gebeurd geeft de keurmeester de keurlijst
van de gekeurde vogels aan de voordrager, die, met plakband, de keurlijst
aan de binnenkant van het linker deurtje plakt en de kooitjes, met gesloten
deurtjes, terugzet op de stelling in de zangafdeling.
Na het bepalen van de einduitslag en
de toekenning van de prijzen worden aan de binnenkant van het rechterdeurtje
stickers geplakt met de prijzen die door desbetreffende vogel zijn gewonnen.
Wanneer de keuring er op zit worden
de kooien uit de zangafdeling overgebracht naar de grote ruimte, waar ook de
andere vogels zijn, en daar op een stelling gezet. Zaterdagmiddag om 13.00
u. gaat de vogeltentoonstelling open. Inzenders en publiek kunnen dan tot
17.00 u. de keurresultaten en de vogels bekijken. Zondagmorgen om 09.00 u.
gaat de tentoonstellingshal weer open, tot 12.00 u. Hierna volgt het
uitkooien, meestal in de volgorde dat wie van ver komt het eerst aan de
beurt is. De organisatie van het uitkooien is vergelijkbaar met wat wij
gewend zijn bij een grote wedstrijd, zoals de bondskampioenschappen.
.jpeg)
De keurlijst van de ‘Roller Canary’ kampioen van
Christchurch.
De Nieuw Zeelandse keurlijst voor
een ‘Roller Canary’
Hiervoor kwamen de verschillen in
het lied tussen de Nieuw Zeelandse en Europese continentale harzers en de
Britse ‘roots’ van de Nieuw Zeelandse harzerkweek al aan de orde. Kijken we
naar de keurlijst van de kampioen harzers in Christchurch en vergelijken we
die met de keurlijst van harzers die op onze wedstrijden wordt gebruikt dan
worden de grote verschillen in zang ook zichtbaar. Niet alleen zijn de per
toer toe te kennen punten anders, maar er zijn ook toeren bewaardigd die
medio de vorige eeuw nog in het Europese harzerlied voorkwamen, maar daar nu
nagenoeg geheel uit zijn verdwenen. We zien dat de kampioen punten heeft
gekregen voor waterkloek en waterrol. Waterkloek komt als afzonderlijke
rubriek zelfs niet voor op de huidige Nederlandse keurlijst; waterrol wel,
maar ‘continentale’ harzerkwekers prefereren zo ‘droog’ mogelijke vogels.
‘Water’ op het harzerlied wordt eerder als onwenselijk dan als wenselijk
beschouwd, omdat het de zang ‘vervlakt’ en andere toeren, zoals holrol en
knor, daarom minder diep worden gezongen. Ook al geldt de waterrol op het
Europese vasteland, nog steeds, als een hoofdtoer in het harzerlied, toch
wordt in de kweek geprobeerd het zingen van toeren met wateraccent zoveel
mogelijk te voorkomen. De kloeken en kloekenrol, cq. verbonden kloeken, - De
Nieuw Zeelandse kampioen heeft ze ook en niet onverdienstelijk. - zijn op
dit moment eveneens in bepaalde harzerkringen discutabele, zo niet
ongewenste, toeren.
Zowel aan de hand van de keurlijst met waardetoeren, - Let bijvoorbeeld eens op de ‘Deep Bubling Water Tour’. - als aan de door de kampioen in Christchurch gezongen toeren, zoals de waterkloek en de waterrol, is duidelijk te zien dat het harzerlied zijn oorsprong vindt in de 19e eeuwse nachtegaalzanger. De Nieuw Zeelandse harzer staat dus veel dichter bij het oorspronkelijke harzerlied, dat, gezien de vele watertoeren, en de toeren met een geslagen karakter, zoals de kloekenpartij, aanvankelijk veel meer overeenkomsten vertoonde met het waterslagerlied dan dat van de huidige harzers. Beide hebben immers dezelfde afstamming, met dit verschil dat de waterslager veel dichter bij de bron, het lied van de nachtegaalzanger, is gebleven.
Slot
In dit artikel maakten we een
uitstapje naar de andere kant van de wereld. De fascinatie voor het lied van
de zangkanarie is hetzelfde; de praktijk waarin de hobby wordt bedreven heel
anders. Zoals aangegeven is de zangkanariekweek in Nieuw Zeeland heel sterk
beïnvloed door die in het Verenigd Koninkrijk. In Groot Brittannië heeft men
in de kweek met ‘Roller Canaries’ en de voor harzers te organiseren
wedstrijden zich veel minder van de ont-wikkelingen in Duitsland
aangetrokken dan in Nederland. Willen we een idee krijgen van de dagelijkse
praktijk van de Nieuw Zeelandse kwekers van ‘Roller Canaries’ dan geven de
in Groot Brittannië geschoten filmpjes van wedstrijden voor harzers, volgens
Karl Hansen, een aardig beeld. Voor wie er interesse in heeft volgen hier
een paar linken naar op You Tube te bekijken filmpjes.
https://youtu.be/piiUbmtSzrU?si=ZPTBmTAJUNJXZVJL ;
https://www.youtube.com/watch?v=9blhMhZDOvY , (vanaf 07.00 min.)
https://www.youtube.com/watch?v=Cp0kXx_RjwA (vanaf 04.00 min.)
Zoals je op de filmpjes kunt zien is
de kweek van ‘Roller Canaries’ in het Verenigd Koninkrijk ook een ‘oude
mannensport’ geworden, die langzamerhand uitsterft.
-0-
Contactblad Speciaalclub Zang NZHU
De Speciaalclub is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers
April 2025, 41e jaargang, nr. 2
- In gesprek met … Henny
Kling
- Waarom kunnen zangkanaries na de
rui anders zingen dan voor de rui?
- Elk nadeel heb z’n voordeel;
imitatietalent
-0-
IN GESPREK MET ..... Henny Kling
door Jaap Plokker
Op maandag 6 januari 2025 togen Gerard van Zuijlen en Jaap Plokker naar Wijchen voor een bezoek aan de gebroeders Henny en Willy Kling. In deze editie van ons clubblad een verslag van het bezoek aan Henny Kling.
Maandagmorgen 6 januari 2025 stopte om 08.00 u. Gerard van Zuijlen voor mijn deur. We zouden een bezoek gaan brengen aan Henny en Willy Kling. De broers wonen in het Gelderse Wijchen, vlak bij Nijmegen, dus we hadden een aardige rit voor de boeg. De reis verliep zonder al te veel hindernissen en klokslag 10.00 u. belden we aan bij Henny Kling. Henny deed zelf open en in de huiskamer heette Henny’s echtgenote Dorien ons welkom. We namen plaats aan de tafel en terwijl Dorien Kling voor ons een lekker bakje koffie zette ging ons gesprek van start.
Henny, op welke manier heb je
voor brood op de plank gezorgd?
Van huis uit ben ik elektricien. Op
een bepaald moment begon het bedrijf waar ik werkte zich ook te
specialiseren in apparatuur waarmee op afstand installaties bediend konden
worden die gebruikt werden voor de waterbeheersing. Uiteindelijk legde het
bedrijf zich hier volledig op toe en ging ik heel Nederland door naar de
waterschappen en gemeentes om deze installaties te verkopen, waarna onze
technici deze gingen installeren. Ik kwam daarom op onregelmatige tijden
thuis. Niet echt goede omstandigheden om vogels te houden, dus.
.jpg)
‘Pauzepraatje’ tijdens de studiedag van de 38e
clubkampioenschappen van de NZHU op 4 januari 2025. Vlnr. Andries Gort,
Henny Kling, Willy Kling en Tinus Teeuwen.
Op welke manier ben je dan
toch in de waterslagerwereld terecht gekomen?
Wij woonden een beetje buiten af. Er
was bij ons thuis ruimte genoeg om allerlei soorten dieren te houden. Mijn
vader was duivenmelker, fokte honden, we hadden een volière met voornamelijk
wildzang, kippen, konijnen. Ik had vijf broers en een zus. Ik ben de oudste.
Aanvankelijk ik en later ook mijn jongere broers waren heel druk bezig met
al die beesten, vooral met de postduiven: Hokken schoonmaken, voeren, laten
vliegen en natuurlijk het spannendst van alles: de wedstijd. Ik ging met
mijn vader mee naar de postduivenvereniging om te helpen. Ook mijn oom had
postduiven en diens zoon, mijn neef, hielp vaak bij de vereniging. Op een
bepaald moment, het zal zo rond 1963 geweest zijn, hadden ze bestuursleden
nodig en toen zei mijn vader tegen het bestuur: dat is een mooi klusjes voor
die twee jongens. Uiteindelijk werd ik secretaris van de
postduivenvereniging.
Eind jaren ’60, ik was toen
secretaris, besloot de vereniging een eigen clubgebouw te gaan bouwen. Naast
het perceel waarop we een clubhuis aan het bouwen waren woonde een
alleraardigst meisje, ik werd er verliefd op en we zijn getrouwd. Ik woon nu
in het huis van mijn schoonouders, naast het clubgebouw van de
postduivenvereniging.
Na ons trouwen ben ik natuurlijk de
deur uit gegaan en we zijn ergens in Wijchen in een huurhuis gaan wonen.
De ‘vogelkwekerij’ van Henny Kling, rechts de schuur met de
broedkooien en links de schuur met de vluchten.
En gelijk een duivenhok
gebouwd natuurlijk…
Nee, daar hadden we de ruimte niet
voor, maar ik wilde wel vogels om me heen hebben. Daarmee was ik opgegroeid.
Ik heb toen een volière gebouwd, waarin allerlei soorten vogels zaten:
kanaries, tropische vogels. Ik heb, bijvoorbeeld, ook gouldamadines gehad.
Maar nog steeds geen
waterslagers….
Dat ik serieus waterslagers ben
gaan kweken komt eigenlijk door mijn broer Willy. Willy is met waterslagers
begonnen en heeft mij besmet. Van hem heb ik ook mijn eerste kweekvogels
gehad. Broer Theo en mijn broer Karel zijn in de duivensport actief gebleven
en hebben ze nog steeds. Mijn jongste broer Arnold is bouwaannemer en heeft
een gezelschapsvolière. Broer Jan is gaan werken in de geestelijke
gehandicaptenzorg en in Noordwijk terecht gekomen, in de dr. mr. Willem van
den Berghstichting. Hij heeft daar zijn vrouw ontmoet en woont inmiddels al
bijna 40 jaar in Noordwijk. Inmiddels woont hij in een vrijstaand huis aan
de Zwarteweg, vlak bij ‘De Berghstichting’, en heeft daar een wijngaard, de
Lidrusgaarde. Als we voor de wedstrijd in Katwijk komen zitten we dus op nog
geen vijf minuten rijden van het huis van mijn broer. Maar die is te druk
met zijn druiven. Hij is de enige van ons die geen vogels meer heeft.
Je bent dus eigenlijk van huis
uit een duivenmelker die min of meer bij toeval in de waterslagerwereld
terecht is gekomen. Wat trekt jullie zo in de waterslagers?
Wijchen is heel lang een bolwerk van
waterslagers geweest. Als je in Wijchen met zangkanaries begon dan koos je
vrijwel automatisch voor waterslagers. Harzers zag je hier niet.
Vogelvereniging ‘De Goudvink’ in Wijchen kende in het verleden heel veel
leden met waterslagers. Op de tentoonstelling zaten er wel meer dan
tweehonderd, alleen van eigen leden. Ook in het plaatsje Nuland, niet ver
hier vandaan, aan de andere kant van de Maas, had je veel
waterslagerkwekers. Dat is allemaal verleden tijd. In Wijchen zijn er nog
drie waterslagerskwekers: mijn broer Willy, ik en nog iemand. Van de
vogelvereniging in Nuland ben ik penningmeester geweest. Op een bepaald
moment waren er nog zeven leden en hebben we besloten de club op te heffen.
Overal zie je dat vogelverenigingen
ophouden te bestaan. Dit geldt ook voor de postduiven. In Wijchen hebben we
nog een postduiven- en een vogelvereniging en die krijgen steeds meer een
regionale functie, omdat kwekers uit de plaatsen waar de vereniging is
opgeheven nu lid in Wijchen worden. Laatst is er nog iemand met waterslagers
uit Limburg lid van ‘De Goudvink’ geworden. In december hebben ze in Limburg
voor het laatst een wedstrijd voor waterslagers georganiseerd en daarna
zichzelf opgeheven. Er is nu in heel Limburg voor de waterslagers helemaal
niets meer.
Secretaris van een
postduivenvereniging in Wijchen, penningmeester van de vogelclub in Nuland.
Heb je wat met bestuurswerk?
Dat kun je wel zeggen. Ik ben
marsleider van de plaatselijke wandelverening.
We zetten ieder jaar een ééndaagse
en een tweedaagse wandeltocht en een avondvierdaagse uit. Daarnaast ben ik
secretaris van Veilig Verkeer, afdeling Wijchen. Wij zorgen bijvoorbeeld dat
het verkeersexamen op de basisscholen kan worden gehouden. Verder ben ik
bestuurslid en beheerder van het Paschalishonk, een buurthuis, in de wijk
Woezik, in Wijchen. Het buurthuis draait helemaal op vrijwilligers en met
name het beheer kost me veel tijd. Aan de andere kant komt het de vogelsport
ook van pas. Ik ben secretaris van de vogelvereniging ‘de Goudvink’ in
Wijchen en we houden niet alleen onze vogeltentoonstelling in het
Paschalishonk, maar we hebben daar ook onze opslag en dat is heel praktisch;
ook dat ik zowel secretaris als beheerder ben.
Henny Kling in zijn broedafdeling. Achter hem z’n zangkast.
Je bent een druk baasje, dat
je nog tijd hebt voor vogels.
Bestuurswerk doe ik al heel lang,
zoals ik je vertelde was ik nog niet getrouwd en al secretaris van de
postduivenvereniging. Ik vind het niet alleen leuk werk om te doen, maar je
maakt je ook nuttig voor de gemeenschap. Verder weten ze je voor een
bestuursbaantje ook gemakkelijk te vinden wanneer je in dat wereldje actief
bent. Kennelijk kan ik lastig ‘nee’ zeggen. Ik ben in dit opzicht wel anders
dan mijn broer Willy. Ik vind dat ik best wel serieus met mijn waterslagers
bezig ben, maar niet op de manier zoals Willy. Die let op ieder detail.
Mijn belangstelling, tijd en energie steek ik ook in heel veel zaken die
niets met de vogelsport of de eigen vogels te maken hebben. Ik heb de vogels
er ook bij en dat is toch anders dan hoe Willy er in staat.
Over je vogels gesproken. Hoe
zitten je vogels en wat krijgen ze te eten?
Ik heb in de tuin achter het huis
drie schuurtjes. Eén gebruik ik voor berging, één voor de vluchten voor de
waterslagers en in de derde staan mijn broedkooien. Ik heb me nu helemaal
toegelegd op het kweken van waterslagers, andere vogels heb ik niet meer.
Ik heb 27 broedkooien. Op de bodem
strooi ik vloerdekkorrels van het merk Zeopet. Het is een fijngemalen
gesteente dat heel goed vocht absorbeert.
Wat betreft het zaad geef ik een
gewoon zaadmengsel van Slaats. Als krachtvoer gebruik ik dat van Witte
Molen. Je hoeft dat niet rul te maken. Ik geef dat zonder toevoegingen; in
het rustseizoen twee keer per week en in de broedtijd natuurlijk iedere dag.
Gekiemd zaad geef ik niet.
Hoe bestrijd je de bloedluis?
De vogels krijgen bij mij op
geregelde tijden een druppeltje Parasita in de nek. Verder heb je in de
zomer veel meer last van luis dan in het vroege voorjaar, want dan is het
nog te koud. Ik broed eigenlijk best wel vroeg. Mede omdat ik dan minder
last van bloedluis heb.
Wat is vroeg broeden voor jou?
Mijn poppen heb ik vorig week uit de
vlucht in de broedkooien gedaan. Ze zijn dus verhuisd naar de schuur met de
broedkooien. Ze zitten nu nog met het licht dat ze ook in de vlucht hadden,
in de andere schuur: ’s morgens om 09.00 u. gaat het licht aan en om 18.00
u. gaat het uit. Half januari ga ik het licht verlengen en dan kan ik eind
februari/ begin maart met de broed beginnen. Meestal zit eind mei mijn
broedseizoen er wel op.
De 27 broedkooien van Henny Kling. De poppen zitten er al
in.
Zijn er voor jou nog vaste
gewoontes tijdens het broedseizoen; hoe selecteer je je vogels bijvoorbeeld
en hoeveel mannen gebruik je.
Ik houd één man aan voor twee
poppen. Eén pop moet dus zelf de jongen grootbrengen. Ik gebruik kunststof
nestkasjes die je voor de broedkooi kunt hangen. Daarin maakt de pop in het
kommetje een nest. Ik heb nogal last van poppen die de jongen pikken. Niet
in het nest, maar als de jongen zijn uitgevlogen trekken ze de staarten uit.
Zodra de jongen zijn uitgevlogen hang ik een klein kooitje voor de
broedkooi. Daar gaan de jongen in en de pop voert dan door de tralies en kan
de staarten niet uittrekken.
Ook gebruik ik altijd jonge poppen.
Overjarige poppen gaan allemaal weg. Ik heb dat overgenomen van Willy. Die
doet dat ook. Alleen dit jaar ben ik wel genoodzaakt om hiervan af te
wijken.
Hoezo?
Ik heb in 2024 een dramatisch
kweekseizoen gehad. Ik heb iets meegemaakt wat me nog nooit is overkomen.
Het broeden verliep allemaal prima. Ik kreeg jongen, die goed werden gevoerd
en er prima uitzagen, maar op het moment dat ze zelf moesten gaan eten deden
ze dat niet. Op een bepaald moment stopte de pop met voeren, maar de jongen
gingen niet zelf eten en verhongerden. Dit gebeurde niet bij een enkel
nestje, maar bij vrijwel alle vogels. Ik heb dus maar een handvol jongen
groot gekregen. Ik heb daarom geen jonge poppen van mezelf. Alle overjarige
poppen heb ik dus aangehouden en van Willy een aantal poppen gekregen. Ik
heb nu ook maar 20 kweekpoppen, terwijl ik 27 broedkooien heb.
Ik heb me suf gepiekerd wat de
oorzaak zou kunnen zijn, maar ik kan echt niets bedenken. Ik kan me ook niet
heugen dat ik iets anders heb gedaan dan voorheen. Ik heb vorig jaar poppen
verkocht en die hebben bij de nieuwe eigenaar gewoon gebroed en de jongen
zijn zelfstandig geworden. Het moet dus iets zijn in mijn hok en wat ik doe,
maar wat? Ik heb de boel grondig schoongemaakt en beide schuurtjes
uitgerookt. Het broedseizoen 2025 wordt voor mij dus echt wel spannend of ik
opnieuw met hetzelfde probleem geconfronteerd word.
Dat is inderdaad vervelend én
spannend. Ik hoor trouwens de laatste jaren bij ons de buurt best wel veel
ervaringen waarbij kwekers geen jongen op stok krijgen of in de loop van het
seizoen hun hele vogelbestand verliezen.
Dat is hier in de buurt niet anders.
Ook in het oosten zijn er kwekers met een totaal verloren kweekseizoen en ze
weten niet waar de oorzaak ligt.
Even wat anders. Wat spreekt
jou zo aan in de kweek van waterslagers?
Zoals ik je al zei was het in
Wijchen eigenlijk een automatisme dat, wanneer je belangstelling had voor
zangkanaries, je met waterslagers begon. Eenmaal in de wereld van de
zangkanaries kom je ook in aanraking met harzers, maar dat lied spreekt me
niet aan. Ik vind dat je een zangkanarie moet kunnen horen. Je hebt ook
waterslagerkwekers met vogels die een heel zacht en golvend lied hebben. Dat
heeft ook niet mijn voorkeur. Een waterslager mag best wel een krachtig lied
laten horen. Ik heb daarom eerder een voorkeur voor vogels die richting de
slagvogels gaan dan naar, bijvoorbeeld, die echte Belgische waterslagers.
Een waterslager moet natuurlijk goed waterwerk hebben, maar ik vind een goed
binnenlied minstens zo belangrijk, want dat maakt het lied van de
waterslager zo gevarieerd en voor mij dus aantrekkelijk.
Ik heb ook andere vogels gehad en
dan lag de focus vooral op het broedseizoen. Daarna was er niet veel meer.
Met de zang heb je het hele jaar door iets anders. Het is altijd weer
spannend hoe je vogels op zang komen en wat ze laten horen. Daarna komt half
oktober het opkooien, het africhten en in de week voor Sint Nicolaas de
wedstrijd in Wijchen. Na de wedstrijden begin ik al aan de voorbereidingen
voor het volgende broedseizoen. Je bent het hele jaar intensief met je
vogels bezig en dat spreekt me vooral aan in de zangkanariekweek.
Henny Kling en Gerard van Zuijlen in de schuur met de
vluchten. Hier zitten nog de kweekmannen.
Inmiddels was het kwart voor twaalf
geworden en dus hoog tijd om ook Henny’s vogelverblijven te gaan bewonderen
en wat foto’s te nemen. We begonnen in de schuur met de broedkooien. Hier
bleek dat Henny deze ruimte ook gebruikt om zijn mannen op te kooien, want
achter een gordijn stonden de zangkooitjes, die dit jaar dus niet gebruik
waren. Vervolgens gingen we naar de andere schuur. Hierin stonden drie
metalen vluchten, twee
grote en een kleine, die Henny uit
elkaar kan halen en ze buiten kan schoonspuiten. Eén grote vlucht was leeg.
Hierin hadden de poppen gezeten, die de week daarvoor naar de andere schuur
waren verkast. In de andere grote vlucht zaten de mannen. Achterin tegen de
muur had Henny langwerpige kunststof platen met op elk vier zitstokjes onder
elkaar en verder in de vlucht één lange zitstok. De kleine vlucht was ook
leeg en gebruikt Henny in de broedtijd om zijn kweekmannen in te huisvesten.
Nadat Henny nog een voorzetkooitje had laten zien, dat hij voor de broedkooi
hangt en waarin hij de pas uitgevlogen jongen zet, gingen we terug naar de
huiskamer waar Dorien Kling inmiddels de tafel had gedekt en we konden
aanschuiven voor de lunch.
Nadat we onze magen hadden gevuld
met lekkere broodjes met beleg was het inmiddels 13.00 u. geweest en hoog
tijd om afscheid te nemen van Henny en Dorien en op weg te gaan naar broer
Willy. Met dank voor de gastvrijheid en de goede verzorging van eten en
drinken namen we afscheid en vervolgden we ons verblijf in Wijchen voor een
bezoek aan Willy Kling. Maar daarover een volgende keer.
Henny met een voorzetkooitje om voor de broedkooi te hangen
en de nog te voeren jongen in te zetten, die dan niet gepikt kunnen worden.
-0-
Waarom kunnen zangkanaries na de rui anders zingen dan voor de rui?
door Jaap Plokker
Ook wel eens de ervaring gehad dat een aangekochte vogel in jouw vogelverblijf zijn lied verandert? In de afgelopen jaren is dit verschijnsel in artikelen in ons clubblad diverse malen zijdelings ter sprake gekomen. In dit artikel staat dit fenomeen centraal.
Afgelopen jaar werd ik
geconfronteerd met enkele gelijksoortige verhalen. Jan de Bruine vertelde me
dat hij, vanwege zijn ziekte, begin 2023 al zijn vogels had weggedaan. Een
deel ging naar de opkoper, een deel naar een andere kweker. De operatieve
ingreep en daaropvolgende therapie hadden het gewenste resultaat waardoor
Jan in het najaar van 2023 weer het plan opvatte zangkanaries te gaan
kweken. Een aantal van zijn eigen vogels keerden terug op het oude ‘nest’.
Toen Jan deze vogels afluisterde verwonderde hij zich over het lied, dat
anders was dan toen hij ze wegdeed. Ze hadden nu mooie vormen van
watertoeren, die ze daarvoor niet hadden. Jan had zijn eigen vogels beter
teruggekregen dan toen ze bij hem vertrokken.
Jan Zonderop deelde vergelijkbare
ervaringen met mij, maar dan andersom. Hij had enige jaren geleden
geconstateerd dat de fluitenrol in zijn eigen vogels aan het verdwijnen was
en had een man aangekocht met uitgesproken fluitenrol, om daarmee deze toer
in zijn eigen vogels te versterken. Na verloop van tijd moest Jan
constateren dat hij de aangekocht man steeds minder een fluitenrol hoorde
zingen met uiteindelijk als resultaat dat de ‘vreemde’ man zich volledig aan
Jan’s zangmilieu had aangepast en nauwelijks fluitenrol zong. In het door
Jan geschreven artikel ’Opkooien en op zang komen van onze jonge
zangkanaries’, in Contactblad 2024-2, verhaalt Jan ook over een eind 2022
aangekochte man, waaruit hij in 2023 mooie jongen had gekweekt, maar wiens
oorspronkelijke lied na driekwart jaar bij Jan te hebben vertoefd, nagenoeg
was ‘ondergesneeuwd’. Ter ondersteuning van zijn
ervaringen had Jan op de afluisterochtend op 23 november 2024 vier
overjarige mannen meegenomen: twee aankopen en twee eigen kweek met meer dan
75% ‘vreemd bloed’. Alle van vier verschillende kwekers. Hij zette ze op
tafel met de opdracht: ‘Zoek de verschillen’. Hoewel er wel verschillen
werden gevonden overheerste toch het gevoel dat hun lied erg veel op elkaar
leek.
Verklaringen uit het verleden
Voornoemd fenomeen van een
aangekochte mankanarie die een deel van zijn oorspronkelijke lied verliest,
of ervaringen van mooie voorzangers, die na verloop van tijd in kwaliteit
terugvielen en als voorzanger afgeserveerd moesten worden, zijn van alle
tijden. In het verleden heb ik kwekers, en zeker niet de minste, de
constatering dat een aangekochte man op den duur zijn oorspronkelijke lied
verloor, horen verklaren met de bewering dat deze man afkomstig was uit een
niet goed doorgefokte stam: de toeren die hij had verloren zouden genetisch
onvoldoende verankerd zijn geweest.
Deze verklaring valt enerzijds in de
categorie veronderstellingen die ooit eens door iemand zijn geponeerd en
vervolgens het verdere leven als waarheid hadden voortgezet. Anderzijds past
deze uitleg ook in de tijd dat kwekers er van overtuigd waren dat zangtoeren
onafhankelijke erfelijk overdraagbare factoren waren. Zelf heb ik, decennia
geleden, eens een, overigens zeer deskundig, waterslagerkeurmeester, die ook
regelmatig in ‘Onze Vogels’ publiceerde en tamelijk overtuigd was van zijn
eigen gelijk, horen verklaren dat het feit dat niet al mijn waterslagers
fluitenrol zongen werd veroorzaakt doordat de fluitenrol een recessief
verervende zangtoer was. We weten inmiddels uit wetenschappelijk onderzoek
dat voornoemde opvatting tot de fabeltjes behoort.
Wetenschappelijke kijk op het
fenomeen
Dat kanaries in de loop van hun
volwassenheid hun lied kunnen veranderen is ook tijdens wetenschappelijke
experimenten gebleken. Een zangkanarie wordt dan ook gerangschikt in de
categorie ‘open ended vocal learners’; een wetenschappelijke term voor de
groep zangvogels waarvan het lied bij het bereiken van de volwassenheid niet
definitief vastligt, maar die gedurende hun gehele leven hun lied kunnen
wijzigen. De intrigerende vraag was welk mechanisme dit mogelijk maakt. In
het artikel ‘Een leven lang leren en
vergeten; de zangkanarie als een ‘open ended vocal learner’, in Contactblad
2024-2, konden we lezen dat de aan de Rockefeller University te New
York verbonden Fernando Nottebohm zich in dit vraagstuk had vastgebeten en
tot opmerkelijke ontdekkingen was gekomen. De oorzaak van onze constatering
dat overjarige kanariemannen hun lied veranderen vond hij in het brein van
de kanarie, meer in het bijzonder in de kernen in de hersenen die het
zangmechanisme reguleren.
Dat Jan de Bruine zijn eigen mannen
terug kreeg met een ander lied en de door Jan Zonderop aangekochte vogels in
zijn vogelverblijf hun oorspronkelijke lied verloren, heeft in de eerste
plaats een neurologische oorzaak en dus weinig te maken met afstamming uit
een niet goed doorgefokte zangstam.
.jpg)
Hersenen van een
kanarie met de kernen en de verbindingen in de hersenen die de
zangontwikkeling en het zingen reguleren.
Verklaringen
vanuit de wetenschap
Het is niet de
bedoeling dat voornoemd artikel in Contactblad 2024-2 hier herhaald wordt,
maar voor het vervolg is het wel van belang dat e.e.a. glashelder is.
Internationale
wetenschappelijke literatuur verdeelt de periode waarin jonge kanariemannen
hun zang ontwikkelen in verschillende fases, t.w. die van de
A -
Subsong (het sublied);
B -
Plastic song (het plastisch lied);
C - Stable
song (het stabiele lied).
De fase van het
sublied kunnen we ook wel typeren als de ‘frazelfase’. De vogels komen nog
niet veel verder dan wat ‘gebrabbel’. In de fase van het plastische lied
heeft het lied nog geen vaste vorm aangenomen; het is nog ‘kneedbaar’. In
deze fase is er sprake van een onsamenhangend lied waarin afzonderlijke
toeren te bespeuren zijn, maar de lettergrepen worden nog niet stabiel
gezongen en de toeren worden nog niet in een verbindend geheel aan elkaar
gevoegd. Het stabiele lied, tenslotte, kenmerkt zich
door duidelijk herkenbare toeren die onderscheidend in kwaliteit zijn bij de
afzonderlijke vogels en merendeels worden gezongen in vaste patronen.
Een kanarieman bereikt de fase van het stabiele lied ongeveer acht maanden
na de geboorte.
Het hele proces
van zingen en zangontwikkeling van een kanarie wordt aangestuurd in de
hersenen, met name vanuit de kern die de naam HVC (High Vocal Centre) heeft
gekregen. Vanaf het moment dat de jonge kanarieman begint met studeren
groeit in de hersenen ook de omvang van het HVC. Het HVC bereikt zijn
maximaal grootte wanneer de kanarieman zijn stabiele lied heeft bereikt. In
het artikel in Contactblad 2024 zagen we dat onderzoek naar de
ontwikkelingen omtrent het HVC in de hersenpan van overjarige kanariemannen,
door onder meer Fernando Nottebohm en John Kirn, hebben geleid tot het
inzicht dat in het HVC het hele jaar door cellen sterven en cellen worden
geboren. Dit gebeurt niet gelijkmatig maar met pieken en dalen. De grootste
piek van celsterfte is in augustus en ook in januari-februari is een klein
sterftepiekje geconstateerd.
Op een periode van
bovengemiddelde celsterfte volgt een periode van bovengemiddelde celgroei,
t.w, in de nazomer, doorlopend naar het vroege najaar, en in maart. Waarbij
opgemerkt moet worden dat wederom de celgroei in het HVC in de nazomer en
vroege najaar vele malen groter is dan in maart.
Gelijktijdig met
de fluctuaties in de omvang van het HVC in de hersenen van de overjarige
kanarieman gebeurt er ook iets met de zang. Wanneer er in het HVC een
bovengemiddelde celsterfte optreedt, en qua omvang kleiner wordt, verliest
de kanarieman ook zijn stabiele lied. In augustus is de krimp zo groot dat
het HVC een omvang bereikt van een jonge kanarie van 3-4 maanden oud. De
overjarige man zingt dan ook als een vogel van 3-4 maanden, met een lied dat
kenmerken vertoont van het plastische lied. De krimp van het HVC in de
zomer valt min of meer gelijk met de ruiperiode. Ook in januari-februari
wordt het kanarielied wat onstabieler, maar de terugval is lang niet zo
groot als in augustus.
Als gevolg van de
bovengemiddelde geboorte van nieuwe cellen groeit in de nazomer de omvang
van het HVC en begint de overjarige man zijn lied weer te ontwikkelen naar
het niveau van het stabiele lied. Eigenlijk doorloopt de overjarige
kanarieman hetzelfde proces als hij heeft doorgemaakt als de jonge mannen in
het najaar, met dit verschil dat het leerproces nu wat sneller gaat. Wanneer
de overjarige man zijn nieuwe stabiele lied heeft gevormd blijkt dat te
kunnen verschillen van zijn stabiele lied van vóór de zomer-, cq.
ruiperiode.
.jpg)
‘Pauzegesprek’ tussen Jan Zonderop (l) en Andries Gort
tijdens de studiedag van de 38e
clubkampioenschappen van de NZHU op 4 januari 2025.
Verlies en
aanleren van nieuwe toeren is kenmerkend voor kanariezang
We gaan er vanuit
dat de overjarige man, die na de rui nagenoeg weer van meet af aan zijn lied
moet ontwikkelen, in die periode, net als in zijn eerste levensmaanden,
ontvankelijk is voor het opnemen van zang uit zijn leefomgeving. Toeren en
toervormen die hij niet meer waarneemt vallen weg uit zijn lied, toeren die
hij volop om zich heen hoort neemt hij over. Dat Jan Zonderop constateert
dat aangekochte mannen zich aan zijn zangmilieu aanpassen is dus
verklaarbaar met de natuurlijke cycli wat betreft zangverlies en
zangontwikkeling die een ‘open ended vocal learner’, zoals de kanarie,
gedurende zijn gehele leven doormaakt. Wanneer de mannen van Jan de Bruine
bij de nieuwe eigenaar zijn beland in een zangmilieu met beter waterwerk is
het dus, gezien bovenstaande, ook heel verklaarbaar waarom hij zijn mannen
in het najaar met beter waterwerk heeft teruggekregen dan ze bij hem hadden
Erfelijke
invloeden
Onderzoekers waren
niet alleen verbaasd over de verschillen tussen het stabiele lied van de
jonge kanarieman en het lied dat hij zong na de eerste volledige rui, maar
ook over de constatering dat in het lied van de overjarige man lettergrepen
te horen waren die hij nooit in zijn zangmilieu had gehoord. Dit deed de
vraag rijzen of in het kanariebrein soms erfelijk doorgeefbare informatie
omtrent het kanarielied ligt opgeslagen. Zijn de jonge kanariemannen bij hun
zangontwikkeling in de eerste levensmaanden vooral gefocust op het leren van
het lied dat hen wordt voorgezongen; op latere leeftijd spelen naast het
zangmilieu kennelijk erfelijk overdraagbare factoren ook een rol. Op welke
wijze die erfelijkheid functioneert is nog een open boek. Het lijkt er op
dat kanarieouders aan hun jongen erfelijke informatie meegeven hoe een
kanarie behoort te zingen en uit welk soort lettergrepen het kanarielied
dient te bestaan. Het is merkwaardig dat een kanarieman pas op latere
leeftijd zich dat kennelijk bewust wordt. Voor de goede orde: we spreken in
dit verband over erfelijk overdraagbare, voor het kanarielied kenmerkende,
lettergrepen, dus zeker niet over zangtoeren in een bepaalde kwaliteit.
Wetenschappers
constateerden dat het lied van de overjarige man hoe dan ook gevarieerder is
dan van een jonge kanarieman die voor de eerste keer zijn stabiele lied
heeft bereikt, en hij beschikt op latere leeftijd ook over een veel grotere
lettergreeprepertoire dan toen hij acht maanden oud was.
Mogelijk dat dit
fenomeen er voor zorgt dat een overjarige kanarieman minder geschikt kan
worden voor de voorzang. Van nature breidt een mankanarie gedurende zijn
leven zijn lettergreeprepertoire dus uit. Deze verrijking in variatie hoeft
echter in de ogen van de zangkanariekweker niet altijd een verbetering te
zijn.
Een
huiskamerzanger als proefkonijn
Sinds het
overlijden van mijn moeder heb ik voor de gezelligheid in de huiskamer een
kanarie in een sierkooi. Op dit moment wordt de kooi bewoond door een
kanarieman uit 2021.
Ik had dat jaar
vogels met een erg mooie rollende waterslag en een uitermate vlakke, droge
klokkende waterslag. Ook de vogel die ik vanaf begin 2022 in de huiskamer
nam beschikte over een dergelijk lied. De vogel is bij mij gehuisvest zonder
dat hij andere kanariezang of, voor zover ik weet, vogels van buiten kan
horen. In de loop van de tijd is zijn lied veranderd. De uitgesproken fraaie
rollende waterslag is wat droger geworden en hij komt er nu minder frequent
mee dan voorheen. Andere toeren en toervormen, zoals een mooie fluitenrol,
leuke knorretjes en fluitjes en ook de vlakke klokkende waterslag, zijn al
die tijd min of meer gelijk gebleven.
Ik beschik niet
over geluidsopnames van de man uit de eerste maanden van zijn verblijf in de
sierkooi, maar gevoelsmatig heb ik de indruk dat in de tijd dat hij mijn
huiskamer bewoont zijn lied steeds gevarieerder, complexer, is geworden. Als
hij het op zijn heupen heeft verbaas ik me regelmatig over de lengtes van de
strofes en hoe hij in zo’n strofe met de toeren en toervormen varieert. Het
is in ieder geval geen standaardrepertoire dat hij op zo’n moment afspeelt,
het lijkt er eerder op dat hij improviseren tot kunst heeft verheven.
De afgelopen
maanden veraste hij me met een toer die hij nog nooit daarvoor had gezongen
en ik ook niet herken uit de zang van de vogels in mijn vogelverblijf. Het
is een ‘sireneachtig’ toertje die me ook niet doet denken aan een geluid dat
hij in huis kan hebben opgevangen. Het is kennelijk ontsproten aan zijn
eigen creatieve brein. Geïnspireerd op wat hij van zijn ouders aan
kanariezang erfelijk heeft meegekregen?
De kweekpraktijk
Wat leert
bovenstaande ons voor onze kweekpraktijk? Heb niet de illusie dat een man
met, in onze ogen, een kwalitatief hoogstaand lied, dat zijn gehele verdere
leven behoudt. Dat overjarige mannen hun lied veranderen ligt ingebakken in
de aangeboren, voornamelijk neurologische, mechanismen, die aansturen hoe
een kanarie zingt en zijn lied ontwikkelt.
We kunnen door de
samenstelling van het zangmilieu invloed uitoefenen op het lied dat een
overjarige man na de rui zich aanleert. We moeten er echter ook rekening mee
houden dat bij een overjarige vogel ‘uit het niets’ toeren en toervormen
tevoorschijn komen die vreemd zijn aan het zangmilieu (en waarvan we als
zangkanariekweker soms ook niet gediend zijn).
De moraal van het
verhaal is dat we als zangkanariekwekers veel invloed kunnen uitoefen op het
uiteindelijk te zingen kanarielied. Dit geldt in het bijzonder voor het
eerste levensjaar, maar naarmate de kanarieman ouder wordt lijken de
menselijke mogelijkheden om zijn lied te beïnvloeden kleiner
te worden
en zal de kanarieman meer zelf bepalen wat en hoe hij zingt. Die gave is hem
door de natuur gegeven en daar hebben we als mens, vooralsnog, weinig grip
op.
.jpg)
De kanarieman die
vanaf begin 2022 mijn huiskamergenoot is. Hij heeft me sindsdien verbaasd
met een complexer wordend lied en nieuwe toeren waarvan ik de oorsprong niet
kan thuisbrengen.
-0-
Elk nadeel heb z’n voordeel; imitatietalent
door Jaap Plokker
In de vorige editie van ons
clubblad vertelde Jaap Plokker over zijn problematisch verlopen kweekseizoen
2024, waarin hij mede dankzij door collega-kwekers ter beschikking gestelde
poppen toch een 30-tal jongen op stok kreeg. Hij ontdekte dat de ‘vreemde’
poppen, die hij voor de kweek had ingezet, veel minder hun jongen plukten
dan hij van zijn eigen poppen gewend was. Voor hem was dit een zoveelste
aanwijzing dat het verenplukken van poppen bij jongen wel eens erfelijk aan
de volgende generatie kan worden doorgegeven en je dit euvel dus structureel
zou kunnen bestrijden door poppen die dit gedrag vertonen en haar jongen uit
het kweekbestand te elimineren.
Jaap meent, als gevolg van
ervaringen in seizoen 2024, waarin hij, noodgedwongen, met veel ‘vreemde’
poppen heeft gekweekt ook wijzer te zijn geworden omtrent de erfelijkheid
van zang en met name het belang van de poppen in de zangkanariekweek.
Daarover gaat dit artikel.
In de vijftig jaar dat ik, aanvankelijk samen met m’n vader, waterslagers kweek zijn er bepaalde artikelen die mijn kijk op de zangkanariesport ingrijpend hebben beïnvloed. Ik noem als eerste de discussie in de jaren ’80 over het belang van voorzang. In een periode dat, in navolging van Martin Weijling, de zangkanariekweek vooral vanuit de erfelijkheid van zangtoeren werd benaderd, sloeg de, op Amerikaanse wetenschappelijke onderzoeken gebaseerde, opvatting dat het zangmilieu het uiteindelijke lied van een kanarie bepaalt, in als de spreekwoordelijke bom. Nadat de artikelen van Pie Ramakers in Vogelvreugd waren verschenen, en ik daarop door Ton Diepenhorst werd geattendeerd, was mijn kijk op de zangkanariesport voor altijd radicaal veranderd. Niet alleen had het zangmilieu een voor mij veel prominentere betekenis gekregen, maar ook had ik het belang ontdekt van wetenschappelijk onderzoek en dat dit antwoorden kon geven op vragen waarmee wij in de dagelijkse kweekpraktijk werden geconfronteerd. Overigens heb ik in mijn kweekpraktijk de betekenis van erfelijk overdraagbare factoren in de veredeling van het kanarielied nooit verwaarloosd, alhoewel ik geen enkele notie had op welke wijze en in welke mate die erfelijkheid in de zangkanariekweek precies werkte.
Karl Reich en Hans Dunker
Een vergelijkbaar moment van nieuw
inzicht beleefde ik enige jaren geleden toen ik kennis nam van de
experimentele kweek van Karl Reich, om harzers als nachtegalen te laten
zingen, en het artikel van dr. Hans Duncker in ‘Die Gefiederte Welt’ waarin
hij Reich’s succes beschreef en verklaarde. Duncker’s artikel bevestigde
voor mij niet alleen het belang van voorzang en het zang-milieu, maar wees
me ook in de richting van een mogelijk antwoord op de vraag op welke wijze
erfelijkheid in de zangkanariekweek van toepassing is en benut kan worden
bij de veredeling van het lied. Achteraf vind ik het verbazingwekkend dat
dit in de jaren 1910-1925 door Karl Reich uitgevoerde experiment en de in
1922 door dr. Hans Duncker op schrift gestelde verklarende hypothese over de
veredeling van het kanarielied, in kwekerskringen zo lang onbekend is
gebleven. Ik hecht bijzonder veel waarde aan het gedachtegoed van Karl Reich
en Hans Duncker en heb dat ook in artikelen in ons clubblad en in ‘Onze
Vogels’ laten blijken. Menige vraag over het belang van zowel erfelijkheid
als voorzang heb ik kunnen beantwoorden met de hypothese die door Hans
Duncker in zijn artikel in ‘Die Gefiederte Welt’ in 1922 werd geponeerd.
Mij intrigeert natuurlijk de vraag
in hoeverre het kweekconcept dat geleid heeft tot de als nachtegalen
zingende harzers van Karl Reich ook toepasbaar is in mijn kweek met
waterslagers. Kan ik volgens het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker
een stam waterslagers opbouwen die beschikt over een goed lied, dat niet
alleen stabiel blijft, maar zelfs kwalitatief beter wordt? Ik heb besloten
me aan deze uitdaging te wagen en de praktijk zal moeten uitwijzen of het
een verstandige keuze is geweest. Overigens zal mijn kweekmethode hierdoor
niet radicaal veranderen, want ik hield altijd al rekening met het belang
van zowel erfelijkheid als het zangmilieu, maar in mijn selectie- en
kweekbeleid zal ik wel bepaalde andere accenten moeten leggen. Ik zal,
bijvoorbeeld, veel gestructureerder moeten kijken naar de mogelijke
erfelijke inbreng van de poppen en meer moeten denken in ‘gezinnen’ dan in
‘individuen’.
Karl Reich en Hans Duncker gingen er
ruim honderd jaar geleden al vanuit dat bij de veredeling van kanariezang
zowel erfelijkheid als zangmilieu een cruciale rol spelen. De erfelijkheid
heeft, volgens hen, geen betrekking op de overerfbaarheid van afzonderlijke
zangtoeren, maar op het talent om bepaalde voorzang te kunnen imiteren. Het
veredelen van de zang van je zangkanaries doe je door steeds een zo optimaal
mogelijk zangmilieu te creëren en kweekvogels, zowel mannen als poppen, te
selecteren die het beste in staat zijn dat zangmilieu te imiteren. Om zicht
te krijgen op de erfelijke aanleg van de kweekpoppen is het essentieel dat
je grote gezinnen kweekt waardoor je de poppen kan selecteren op de
kwaliteit van de broers. Dit betekent dat je in je kweekplan niet probeert
jonge vogels te kweken uit zoveel mogelijk combinaties, maar van een
beperkt aantal combinaties zoveel mogelijk jongen. Het inzetten van
pleegmoeders is hiervoor welhaast onvermijdelijk. Ik had in de loop van 2023
besloten in 2024 volgens dit concept aan de slag te gaan.
‘Pauzegesprek’ tussen vlnr. André Toet, Gerard de Brabander
en Jan Zonderop tijdens de studiedag van de 38e
clubkampioenschappen van de NZHU op 4 januari 2025.
Plannen
In 2021 had ik bij Jan Zonderop twee
mannen gekocht met een mooie klokkende waterslag. Mijn vogels vond ik
behoorlijk compleet, alleen ontbrak het aan een acceptabele klok en dat
hoopte ik met de vogels van Jan te verbeteren. In de jaren daarvoor was het
me bij herhaling niet gelukt met de aanschaf van een man met een goede klok
deze toer in een redelijke kwaliteit in mijn stam te kweken en, vooral, te
houden. Van de twee mannen van Jan zou er uiteindelijk één een heel
belangrijke stamvader van mijn huidige zangstam worden. In kwekersjargon zou
je kunnen stellen dat de man van Jan en mijn poppen elkaar ‘pakten’. In 2022
kweekte ik namelijk uit deze man een paar leuke vogels. In 2023 kweekte ik
uit deze man en z’n jongen uit 2022 met succes jonge mannen met een lied dat
me kon bekoren. De stam uit deze vogels werd tweede bij de NZHU met 589 pnt.
Ik besloot uit deze vogels het voor mij best mogelijke zangmilieu samen te
stellen. Centraal zou een jonge man uit 2023 moeten staan. Ik vond hem mijn
mooiste vogel en had op de wedstrijd van de NZHU met hem ook de derby-prijs
gewonnen. Voor mij was het bijzonder gunstig dat dit een ijverig zingende
vogel betrof en zowel in het voorjaar van 2024 als ook na de rui volop heeft
gezongen. Zijn lied is inmiddels iets veranderd, maar z’n klokkende en
rollende waterslag is nog steeds prima.
Met de voor het zangmilieu
geselecteerde vogels, hun ouders en al hun zussen als basis besloot ik,
volgens het concept van Reich en Duncker, een kweekplan voor 2024 op te
zetten. Verder hanteerde ik ook het verenpikken en het leggen van legsels
van minstens vier eieren als selectiecriterium voor mijn poppen. Sommige
combinaties kregen het etiketje ‘prioriteit’, omdat dit, volgens het
Reich/Duncker concept, veelbelovende kweekkoppels zouden moeten zijn. Dus
koppels waarin het kunnen imiteren van mijn zangmilieu het meest erfelijk
zou moeten zijn verankerd. Dit betekende dat ik van deze koppels zoveel
mogelijk jongen wilde en dus pleegmoeders zou inschakelen voor het
uitbroeden en grootbrengen van hun jongen. Tot zover de plannen.
Kweekresultaten in 2024
Zoals ik al eerder memoreerde is van
m’n kweekvoornemens voor 2024 nagenoeg niets terecht gekomen, omdat het
overgrote deel van mijn poppen bij de aanvang van het kweekseizoen in de rui
was. Van slechts één koppel met een prioriteitssticker heb ik jongen gehad.
Daarvoor heb ik ook een pleegmoeder ingeschakeld en uiteindelijk van dit
koppel zes jongen op stok gekregen: vier mannen en twee poppen. Van een
ander prioriteitskoppel was de pop in de rui en die heb ik vervangen door
een zus. Van dit koppel kwamen slechts drie jongen op stok: twee mannen en
een pop. Gelukkig kon ik van collega-kwekers poppen betrekken die zij niet
meer nodig hadden. Van de uiteindelijk dertig door mij gekweekte jonge
vogels waren er twaalf, vijf poppen en zeven mannen, afkomstig uit mijn
eigen bloedlijn. Het merendeel van de jongen was dus afkomstig van ‘vreemde’
poppen, die ik aan een man van mezelf had gekoppeld. Om voor mij nog
duistere redenen waren mijn mannen namelijk niet in de rui. Deze kweekmannen
waren op een of andere wijze genetisch sterk aan elkaar verwant: vader,
broers, halfbroers.
Praktijktest
Mijn zeventien jonge mannen kwamen
in het najaar van 2024 traag door de rui en vertoonden in november nog volop
studiezang. In de loop van december was het toch mogelijk me een beeld te
vormen omtrent hun kwaliteit. Alle jonge mannen waren in hetzelfde
zangmilieu opgegroeid. Zoals ik al aangaf werd dit zangmilieu gedomineerd
door de ijverig zingende derbywinnaar van de NZHU-wedstrijd. De zeventien
jonge mannen waren afkomstig van tien verschillende poppen, waarvan zeven
met ‘vreemd’ bloed. Ik was razend benieuwd in hoeverre de mannen uit de
‘vreemde’ poppen ook in staat waren geweest de zang van mijn zangmilieu te
imiteren. Kon ik in de globale kwaliteit van de jonge mannen een onderscheid
ontdekken tussen de mannen uit de eigen bloedlijn en die van de ‘vreemde’
poppen? Het, noodgedwongen, kweken met relatief veel poppen met ‘vreemd’
bloed, en ook nog van drie verschillende kwekers, had me namelijk een unieke
kans gegeven om hieromtrent meer te weten te komen. Zou ik dit onderscheid
niet kunnen maken, dan stond het concept van Karl Reich en Hans Duncker
namelijk op losse schroeven.
Verschillen tussen ‘eigen’ en
‘vreemde’ vogels
Reich had in het tweede decennium
van de vorige eeuw al ontdekt dat niet alle jonge kanariemannen in staat
waren geweest de zang van nachtegalen even goed te kunnen imiteren. Er waren
gezinnen waarvan jonge mannen de nachtegaalzang redelijk tot goed imiteerden
en gezinnen waarvan jonge mannen er niets van bakten, ondanks dat ze
allemaal dezelfde voorzang hadden gehad. Door steeds te kweken met de
gezinnen waarvan de jonge mannen het best nachtegaalzang imiteerden bouwde
hij een stam op waarin het percentage ‘minkukels’ steeds minder werd.
Hoe zou dit bij mij uitpakken?
Beschikten de ‘vreemde’ poppen over hetzelfde imitatietalent als mijn eigen
vogels en waren mijn mooiste vogels wel of niet tot bepaalde
bloedlijnen/kwekers te herleiden? Kwamen er relatief veel ‘minkukels’ uit
mijn eigen bloedlijn of vooral uit de ‘vreemde’ poppen?
Om de zekerheid op bevruchte eieren
te vergroten had ik op het einde van het broedseizoen 2024 bepaalde poppen
meerdere mannen gegeven. Van de uit deze combinaties gekweekte twee mannen
en vijf poppen heb ik geen administratie bijgehouden en weet ik hun
afstamming dus niet. Uit een, via Krien Onderwater verkregen, van Rob
Bisschops afkomstige, pop kweekte ik twee mannen en één pop, van twee van
Gerard de Brabander afkomstige poppen kreeg ik twee mannen en een pop en uit
drie van Krien Onderwater afkomstige poppen trok ik vier mannen en één pop.
Zonder naar afstamming te kijken heb
ik, louter op hun zang, mijn jonge mannen in december beoordeeld en voor de
wedstrijd van de NZHU geselecteerd. Uit mijn, gecombineerd, mooiste en
ijverigste zangers vormde ik een stam; de, qua zangkwaliteit, daarop
volgende vier vogels heb ik in de stellen gezet.
Toen ik de afstamming van mijn acht
beste vogels bekeek kwam ik tot een opmerkelijke ontdekking. Van de in 2024
door mij gekweekte zeventien mannen waren van de beste acht jonge mannen er
zes afkomstig uit mij eigen bloedlijn en twee van ‘vreemde’ poppen. Van het
door mij met ‘prioriteit’ gemerkte koppel zaten alle vier de mannen bij de
beste acht vogels; twee in de stam en twee in de stellen. Redenerend vanuit
het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker kon ik twee conclusies
trekken. Het koppel dat ik op, verondersteld, imitatietalent had
samengesteld bleek in overgrote meerderheid jonge mannen voort te brengen
die in staat waren mijn zangmilieu zeer goed te kunnen imiteren. De stam,
met één ‘vreemde’ en drie ‘eigen bloed’ vogels, behaalde op de wedstrijd van
de NZHU in januari 2025 een 3e prijs met 589 pnt.
Daarentegen beschikten de ’vreemde’
poppen dus kennelijk in meerderheid over onvoldoende talent om mijn
zangmilieu goed te kunnen imiteren en konden dat dus ook niet aan hun jongen
doorgeven. Het voor mijn zangmilieu vereiste talent moest dus vooral van de
man komen en de som van de erfelijke vastgelegde zangtalenten van mijn man
en ‘vreemde’ pop was kennelijk onvoldoende om jongen voort te brengen die in
staat waren het niveau van de voorzang te evenaren of zelfs maar te
benaderen.
Bovenstaande moet niet verkeerd
geïnterpreteerd worden. De ‘vreemde’ poppen waren afkomstig van
gerenommeerde kwekers, ook prijswinnaars bij de NZHU, en bezaten dus zonder
twijfel erfelijk vastgelegde kwaliteiten.
Als verklaring voor het minder
succesvol kweken met aangekochte vogels wordt wel eens gegeven dat de zang
van de ‘vreemde’ en de ‘eigen’ vogels elkaar niet ‘pakten’. In het concept
van Karl Reich en Hans Duncker heeft ‘pakken’ een andere aanduiding
gekregen, namelijk ‘imitatietalent’. ‘Niet pakken’ betekent in dit
gedachtegoed dat ‘vreemde’ poppen onvoldoende over het specifieke talent
beschikken dat vereist is om, in combinatie met de door de man ingebrachte
eigenschappen, jonge mannen én poppen voort te brengen die in staat zijn het
zangmilieu goed te kunnen imiteren.
In dit verband is het wellicht
verhelderend om, nogmaals, op te merken dat Karl Reich in het begin maar uit
heel weinig koppels jongen kweekte die in staat waren de nachtgaalzang
redelijk te kunnen imiteren. Het voor het kunnen imiteren van nachtegaalzang
vereiste talent was dus aanvankelijk in Reich’s vogels behoorlijk dun
gezaaid.
Poppen
In ons clubblad 2024-2 schreef ik
een artikel onder de titel ‘Krijgen in de zangveredeling zangkanariepoppen
wel voldoende aandacht?’ Mede naar aanleiding van het belang dat Karl Reich
en Hans Duncker hechtten aan het doorgeven van het erfelijk vastgelegd
imitatietalent door de poppen stelde ik de vraag: ‘Doen wij in onze
kweekpraktijk recht aan de mogelijkheid dat de intrinsieke zangkwaliteiten
van onze jonge kanariemannen mede door de pop wordt bepaald?’ Mijn antwoord
was: ‘Het kweken van zangkanaries in Nederland is, mijn inziens, vooral
mangericht; de pop lijkt wat betreft de zangvererving eerder bijzaak te
zijn, terwijl zowel man als pop zangeigenschappen erfelijk aan de jongen
doorgeven. Ik denk dat de meeste zangkanariekwekers in Nederland, in
vergelijking tot dat van hun mannen, veel minder onderbouwde notie hebben
omtrent de veronderstelde erfelijke zangeigenschappen van hun poppen.’ Het
artikel werd vervolgens afgesloten met wederom een vraag: ‘Wordt het geen
tijd om bij de veredeling van onze kanariezang de pop de belangrijkheid toe
te kennen die ze heeft en we ons meer gaan realiseren dat we voor onze
zangveredeling niet alleen mooi zingende vaders, maar we ook op
veronderstelde erfelijke zangeigenschappen geselecteerde poppen nodig
hebben?’ Omdat ik in 2024 voor een belangrijk deel gebruik heb gemaakt van
poppen die niet uit mijn eigen bloedlijn kwamen gaven de kweekresultaten ook
enig inzicht omtrent de erfelijke inbreng van de poppen.
Ik heb voor de kweek met zowel de
‘eigen’ als de ‘vreemde’ poppen gebruik gemaakt van dezelfde mannen, alle
sterk aan elkaar verwant. We zagen hiervoor dat er een significant verschil
was in de kwaliteit tussen de jonge mannen uit de ‘eigen’ en uit de
‘vreemde’ poppen. De enig logische conclusie is dat de bron van dit
kwaliteitsverschil gezocht moet worden bij de erfelijke inbreng van de
poppen. Oftewel de ‘vreemde’ poppen gaven in meerderheid onvoldoende het
erfelijk vastgelegd talent door dat voor de imitatie van mijn zangmilieu
vereist was. Of de jonge mannen wel of niet tot de beste acht van 2024
konden worden gerekend was dus vooral bepaald door de pop. Het belang van de
erfelijke aanleg die door de pop wordt doorgegeven kan eigenlijk door deze
praktijkervaring niet beter worden aangetoond. Het blijft nog altijd mijn
vraag of dit cruciale belang van de inbreng van de pop door
zangkanariekwekers wel voldoende wordt onderkend, de uitzonderingen
daargelaten.
Inteelt
Reich liep tegen het probleem op dat
hij met zijn selectiemethode en het kweken binnen gezinnen al snel in de
gevarenzone van inteelt belandde. Hij moest daarom op zoek naar vers bloed,
maar dat moesten wel vogels zijn met niet al te veel van zijn stam
afwijkende erfelijke eigenschappen. Wie anno nu volgens de methode Reich zou
willen kweken loopt dus tegen hetzelfde probleem op. Uit koppels ‘eigen’ man
met ‘vreemde’ pop kreeg ik uit combinaties met twee poppen van Krien
Onderwater twee mannen die prima tussen mijn vogels pasten. De derde pop van
Krien bracht kwalitatief mindere mannen voort. Helaas was de man uit de ene
combinatie ‘enig kind’. De andere man had een, een zus en een, kwalitatief
mindere, broer. Wanneer ik op zoek zou zijn naar ‘nieuw’ bloed zou ik uit
deze twee combinaties ‘vers’ kweekmateriaal kunnen fokken, want kennelijk
beschikten deze twee poppen van Krien ook over een acceptabel percentage van
voor mijn zangmilieu gewenste erfelijke (imitatie)eigenschappen.
Dit voorbeeld toont aan dat met
behulp van proefparingen met ‘vreemde’ poppen geschikte ‘bloedverversing’
gevonden kan worden. In mijn geval betrof het dus twee van de drie poppen
van dezelfde kweker, terwijl de poppen van de andere kwekers niet voor
bloedverversing in aanmerking zouden zijn gekomen, omdat hun erfelijk
vastgelegd imitatietalent niet aansloot op mijn zangmilieu.
Slot
Het feit dat de meeste van mijn
kweekpoppen aan het begin van het broedseizoen in 2024 in de rui zaten en ik
van diverse kwekers de gelegenheid kreeg om hun poppen te gebruiken, maakte
een experiment mogelijk dat anders wellicht nooit door mij was ondernomen.
Ik kon aan de hand van mijn kweekpraktijk de geloofwaardigheid testen van
het kweekconcept op basis van het gedachtegoed van Karl Reich en Hans
Duncker. In bovenstaande heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat ik in 2024
eerder bevestigd ben in hun gelijk dan in het tegendeel. Ook ben ik door de
ervaringen in 2024 bevestigd in de stelling dat poppen een essentiële
inbreng hebben voor zangveredeling.
Het door mij als een ‘verloren’
kweekseizoen beschouwde 2024, heeft me in ieder geval geleerd dat het
traject dat ik in 2023 had ingezet, om mijn toekomstig kweekconcept te
baseren op het gedachtegoed van Karl Reich en Hans Duncker, vooralsnog, geen
verkeerde keuze is geweest. Zo blijkt maar weer eens: ‘Elk nadeel heb z’n
voordeel’.
-0-
Contactblad Speciaalclub Zang NZHU
De Speciaalclub is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers
Oktober 2025, 41e
jaargang, nr. 3
- In gesprek met … Willy
Kling
- Bijten klokken en tjokken elkaar
-0-
IN GESPREK MET ..... Willy Kling
door Jaap Plokker
Op maandag 6 januari 2025 togen Gerard van Zuijlen en Jaap Plokker naar Wijchen voor een bezoek aan de gebroeders Henny en Willy Kling. In deze editie van ons clubblad een verslag van het bezoek aan Willy Kling.
Maandagmorgen 6 januari 2025 stopte
om 08.00 u. Gerard van Zuijlen voor mijn deur. We zouden een bezoek gaan
brengen aan Henny en Willy Kling. De broers wonen in het Gelderse Wijchen,
vlak bij Nijmegen, dus we hadden een aardige rit voor de boeg. De reis
verliep zonder al te veel hindernissen en klokslag 10.00 u. belden we aan
bij Henny Kling. Van het bezoek aan Henny stond de vorige keer al een
verslag in ons clubblad.
Nadat we ca. 13.15 u. afscheid
hadden genomen van Henny en Dorien Kling reden we naar het huis van Willy,
met de auto ruim vijf minuten. Vóór 13.00 u. konden we bij Willy namelijk
niet terecht. Op maandagmorgen heeft hij verplichtingen. Het gezin van Willy
heeft een dochter en zus op veel te jonge leeftijd verloren. Willy helpt op
maandag met het onderhoud van het kerkhof waar ook zijn dochter is begraven;
heel betekenisvol vrijwilligerswerk.
Toen we de wijk inreden waar Willy
woont kwamen we er achter waarom Willy een huisnummer heeft van boven de
8000: De hele wijk heeft als adres Kraayenberg. We konden vlak voor de deur
parkeren. Willy deed zelf open en in de huiskamer heette Willy’s echtgenote
Diny ons welkom. We namen plaats aan de tafel en staken van wal.
Vorige week bracht je je
vogels naar de NZHU en hebben we samen even staan praten bij en over je
vervoerkoffers. Ik dacht toen bij mezelf: ‘die Willy heeft ze vast zelf
gemaakt en hij heeft zeker geen twee linkerhanden’. Had jij voor je werk
twee rechterhanden nodig?
Ik ben m’n hele werkzame leven
timmerman geweest en van een timmerman mag je wel verwachten dat hij iets
met zijn handen maken kan. Ik heb daar dus ook profijt van in mijn hobby,
niet alleen met die vervoerkoffers, maar ook in mijn vogelverblijf is alles
precies op maat gemaakt.
Ik heb overigens mijn leven altijd
veel en hard gewerkt. Werkdagen van 12 uur waren eerder regel dan
uitzondering en dat was geen vijfdaagse, maar een zesdaagse werkweek.
Daarnaast heb ik gevoetbald, moest dus trainen en op zondag spelen. Ook
trainde ik jeugdelftallen.
Toen had je zeker nog geen
vogels.
Dat had je gedacht. Je hebt
ongetwijfeld bij broer Henny gehoord dat we thuis allerlei dieren hadden:
kippen, honden, konijnen, een volière en ook postdui-ven. Die duivensport
was het voor mij helemaal. Ik had mijn eigen duiven en deed mee met
wedstrijden. Ik ging daar helemaal in op. Eigenlijk heb ik het
duivenmelkershart nooit verloren.
Inkooien voor de 38e clubkampioenschappen op 2
januari 2025. Willy Kling geeft zijn waterslagers water. De vogels zitten
nog in de vervoerkoffers.
Maar je hebt ze nu niet meer.
Toen ik trouwde, het huis uitging en
hier ging wonen was het over met de duivensport. Ik heb hier niet de ruimte
en je wilt de buren ook niet tot last zijn. Maar ik wilde wel vogels. Ik heb
toen een volière gebouwd. Daarin had ik kleurkanaries en tropische vogels.
Ik heb met Diny een vrouw getroffen
die, op de momenten dat ik vanwege m’n werk dit niet kon, de vogels voerde
en water gaf. Verder is het mijn gewoonte om eieren te rapen. Nadat het
derde ei is gelegd leg ik ze ’s avonds er weer onder. Vanwege mijn werk was
ik niet altijd in de gelegenheid om de eieren te rapen. Ook hier sprong Diny
bij. Zij raapte de eieren en legde ze in een plat bakje met raapzaad, legsel
bij legsel.
Ik ben wat betreft de hulp van Diny
echt spekkoper, zeker als ik wel eens hoor dat sommige vogelkwekers hun
vrouw niet altijd mee hebben.
Postduiven, kleurkanaries,
tropische vogels, wanneer komen de waterslagers?
In 1996 kreeg ik een hartinfarct,
zomaar uit het niets. Ik heb altijd gesport, nooit gerookt en toch overkomt
het je. Het zag er aanvankelijk naar uit dat ik de rest van mijn leven
arbeidsongeschikt zou zijn en dan moet je toch een dagbesteding hebben. Henk
van Hout, de huidige voorzitter van de vogelvereniging ‘De Goudvink’, hier
in Wijchen, een parkietenkweker met wie ik bevriend was, en nog steeds
overigens, gaf me de tip om waterslagers te gaan kweken en hij regelde voor
me dat ik van Wiel Langeslag zes poppen en drie mannen kon kopen. Daarmee
kweekte ik 25-30 waterslagers. Als ik de afstamming van mijn huidige vogels
na ga dan blijkt dat er nog steeds bloed van Wiel’s vogels in mijn vogels
zit.
De tip van Henk om voor waterslagers
te kiezen was achteraf helemaal niet zo gek. Zangkanaries kweken doe je het
hele jaar; elk seizoen heeft zijn eigen charmes en voor die tijd van het
jaar noodzakelijke werkzaamheden. Je bent dus het hele jaar intensief met je
hobby in de weer. Verder was Wijchen toen nog een waterslager bolwerk. Heel
veel vogelliefhebbers in Wijchen hadden waterslagers. Ik kon dus relatief
dicht bij huis aan goed kweekmateriaal komen en ik kwam in Wijchen in een
groep kwekers met allemaal dezelfde interesse.
Ik heb me er nooit bij neergelegd
dat ik na het hartinfarct de rest van mijn leven als een ‘ínvalide’ zou
moeten vervolgen. Soms tegen doktersadvies in ben ik weer aan de slag
gegaan. Ik heb daar nooit spijt van gehad. Wel ben ik sinds 1996 nog
regelmatig met hartproblemen geconfronteerd geweest. Het komt niet voor in
de familie, de oorzaak is raadselachtig, maar het zit in me. De laatste
jaren gaat het gelukkig goed.
Op bezoek bij Willy Kling op 6
januari 2025. Willy en Gerard van
Zuijlen voor Willy’s vogelverblijf. Waar verlichting brandt is de afdeling
met de vlucht, achter het geblindeerde raam de afdeling waar nu de mannen
zijn opgekooid en waar straks de broedkooien komen te staan.
Je hebt dus pas in 1996 je
eerste waterslagers aangeschaft. Voor iemand die later met de
waterslagersport is begonnen stond je met je vogels relatief snel aan de
top. Heb je daar een verklaring voor?
Dat ligt helemaal in de aard van het
beestje. Als ik aan iets begin wil ik wel tot de beste behoren. Dat was met
de postduiven zo en met de waterslagers idem dito. Ik neem de hobby dan ook
heel serieus. Tot in de details moet ik alles perfect voor elkaar hebben.
Alles wat ik maar kan bedenken om de kweek zo goed mogelijk te laten
verlopen, om de zang van mijn vogels te verbeteren en op wedstrijden goed te
scoren, pak ik op. Je hebt, om er in het clubblad over te schrijven, van mij
de zaadmengeling gekregen die ik aan de jonge mannen geef nadat ik ze heb
opgekooid. Dat is uitgedokterd en bijna tot op de gram afgegewogen. Er
zullen straks ongetwijfeld nog meer voorbeelden ter sprake komen. Zo zit ik
in elkaar.
Dus als ik zeg dat je een
perfectionist ben …..
Dan heb je helemaal gelijk.
Diny Kling breekt op dat moment even in en vraagt of we trek hebben in een kopje koffie. Die vraag wordt uiteraard positief beantwoord en de koffie met smaak geconsumeerd, inclusief de erbij geserveerde gevulde koek. Ik heb vroeger van mijn ouders altijd geleerd dat met volle mond praten niet netjes is, maar wij gaan gewoon door.
Als ik je zo hoor en een idee
krijg van hoe je in elkaar steekt dan zal het samenstellen van je
kweekkoppels voor jou wel een studie op zich zijn.
Dat kun je wel stellen. Ik ga er
echt voor zitten en dat is niet in een avondje gepiept. Ik heb een
computerprogramma dat aangeeft hoe sterk de verwantschap is. Ik kweek af en
toe best wel op het randje. Broer maal zus is voor mij niet per definitie
verboden. Je legt namelijk de erfelijke eigenschappen beter vast, maar het
is wel oppassen geblazen en daar heb ik dat computerprogramma
voor. Wanneer de verwantschap te sterk wordt geeft het programma dat aan in
een percentage. In principe blijf ik aan de gunstige kant van een bepaald
percentage. Als ik een koppel heb uitgedokterd controleer ik dus met het
computerprogramma of dat qua afstamming niet te dicht bij elkaar komt.
Verder gebruik ik alleen jonge
vogels. Ik ga van het standpunt uit dat je bezig ben de erfelijke
eigenschappen van je vogels te verbeteren. Iedere nieuwe generatie is dus in
je kweekplan een stap vooruit. Wanneer je met oude vogels gaat kweken boek
je geen winst, maar blijf je waar je bent. Ik heb ook niet de ervaring dat
ik uit een koppel waar ik het ene jaar toppers uit haal het jaar daarop
opnieuw toppers kweek. Ze zijn altijd minder; wel goed, maar geen toppers.
Aan het eind van het broedseizoen, in juni/juli, gaan dus al mijn overjarige
vogels, mannen en poppen, naar de opkoper.
Dus je gebruikt je oude mannen
ook niet voor de voorzang?
Dat heb je goed begrepen. Vanaf het
moment dat ik mijn overjarige vogels wegdoe moeten de jonge mannen het
zonder voorzang redden. Er moet dan uitkomen wat erfelijk in de vogel zit.
De jonge mannen horen de oude mannen alleen in de broedtijd en voor de
vogels uit de laatste ronde is dat dus bar weinig, want de oude mannen gaan
direct weg nadat de laatste jongen zelfstandig
zijn.
Op bezoek bij Willy Kling op 6 januari 2025. Willy in de
afdeling van zijn vogelverblijf waar zijn wedstrijdvogels opgekooid zitten.
In het kweekseizoen maakt de zangkast plaats voor de broedkooien. Achter hem
de schuifdeur naar de ruimte met de vlucht.
In het clubblad heb ik een
artikel geschreven over het belang van de poppen. In hoeverre houd jij
rekening met het door poppen doorgegeven van erfelijke eigenschappen?
Poppen zijn voor mijn hééééél
belangrijk. Ik durf wel te stellen dat voor mijn kweekplan de poppen
belangrijker zijn dan de mannen. Ik selecteer dus mijn poppen heel secuur en
bij het samenstellen van mijn kweekkoppels kijk ik meer naar de afstamming
van de poppen dan naar die van de mannen.
Voor de kweek gebruik ik, en dat zal
je misschien vreemd vinden, ook niet altijd de mannen die het best hebben
gescoord. Mijn ervaring is dat ik veel meer toppers heb gekweekt uit de
broers van de toppers dan uit de toppers zelf. Dus ik gebruik voor de kweek
met voorkeur de broers van mijn beste vogels.
Met hoeveel koppels kweek je?
Ik heb 16 broedkooien. Zoals je
straks wel zult zien bestaat mijn vogelverblijf uit drie delen. Via de
buitendeur kom je in een halletje, dan volgt een ruimte waar die 16
broedkooien op de mm precies in passen. Na de broed worden de broedkooien
schoongemaakt en opgeborgen. In het najaar gebruik ik deze ruimte om de
jonge mannen op te kooien. Op dit moment zitten er 24 mannen. Ze zijn vorige
week bij de NZHU geweest en gaan overmorgen naar Urk, naar ‘De Nachtegaal’.
In de achterste ruimt staat mijn vlucht. Daarin zitten nu mijn kweekpoppen.
In de regel bestel ik voor die 16
broedkoppels 100 ringen.
Van welke producten maak je
gebruik bij de huisvesting en voeding van je vogels?
Op de bodem van mijn volière en de
broekooien gebruik ik Zeolite vloerdekkorrels. Dit is fijngemalen vulkanisch
gesteente dat heel goed vocht absorbeert. Het voordeel boven andere
vloerdekkorrels van fijngemalen gesteente is dat Zeolite geen stof geeft. Je
hebt dat in twee korrelgroottes 1-2,5 mm en 2,5-5 mm. Ik gebruik beide. Op
de bodem strooi ik de fijne korrel en daarboven de grove. Dit blijft maanden
zo liggen. Ik verwijder dan alleen de opgedroogde ontlasting, maar de
korrels blijven liggen. Ik leg de fijne korrel onder, omdat de scherpe
kantjes niet prettig zijn voor de bloedluis. Over bloedluis gesproken: de
vogels krijgen ook geregeld een druppeltje Parasita in de nek. In de
inzetkooitjes gebruik ik overigens gewoon schelpzand.
Als basisvoer krijgen ze een gewoon
standaard kanariemengsel van Slaats. Wel zet ik altijd een schaaltje met
raapzaad in de vlucht, waaruit ze naar behoefte kunnen pakken. Groenvoer
krijgen ze niet. Dat is hoofdzakelijk water. Ik geef geen gekiemd zaad; dit
is me een beetje te veel gedoe. In de vlucht hangt ook een pikblok, een Clay
Bloc, van Orlux, en er hangt ook altijd sepia waaraan ze kunnen pikken. Mijn
broer in Noordwijk heeft een keer op het strand sepia gevonden en aan mij
gegeven. Die waren groen aangeslagen en het kostte me zoveel tijd om ze
schoon te krijgen dat ik hem gezegd heb dat hij ze voor mij niet meer hoeft
op te rapen. Verder geef ik één keer in de week appelazijn door het
drinkwater.
Op bezoek bij Willy Kling op 6 januari 2025. De afdeling met
de vlucht in Willy’s vogelverblijf. Let ook op de verlichting.
En welk krachtvoer gebruik je?
Ik geef krachtvoer van Witte Molen,
maar wel volgens een eigen recept. Ik gebruik het gewone basis krachtvoer en
meng dat met ‘Zachtvoer kruiden’, beide van Witte Molen, in de verhouding
van respectievelijk 60% en
40%. In de rusttijd krijgen ze dit twee keer per
week; in de broedtijd uiteraard elke dag. Als ze jongen hebben meng ik door
dit krachtvoermengsel ook nog Breedmax.
Wellicht is ook nog interessant om
te vermelden dat ik in de broed voorzetkooitjes
gebruik. Ik heb poppen die de neiging hebben bij de jongen de staart uit te
trekken. Zodra de jongen op punt staan het nest te verlaten zet ik ze in
zo’n kooitje en hang dat voor de broedkooi. De pop kan de jongen door de
tralies voeren, maar de staarten blijven aan de vogels.
Nu even iets totaal anders.
Hoe ben je er toe gekomen om keurmeester waterslagers te worden?
Het is maar de vraag of ik
keurmeester zou zijn geworden wanneer ik Hans de Koff niet tegen het lijf
was gelopen.
Tien, twintig jaar geleden was de
nationale tentoonstelling in Leerdam een wedstrijd waarvoor behoorlijk wat
waterslagers werden ingeschreven. Het was voor waterslagers één van de
belangrijkere wedstijden, waaraan door toonaangevende kwekers werd
deelgenomen. Zoals ik je al zei was het van begin af aan mijn ambitie om met
mijn waterslagers tot de top van Nederland te behoren. Om te weten waar je
staat moet je meedoen met wedstrijden waar die top aanwezig is. Dus het was
voor mij heel logisch dat ik ook vogels inschreef voor Leerdam.
Hans de Koff was in de organisatie
in Leerdam een spil waar veel om draaide, zeker wat betreft de zang. Vanwege
mijn deelname in Leerdam kwam ik natuurlijk in contact met Hans en het
klikte tussen ons. We wisselden kweekmateriaal uit en we raakten, dat mag ik
wel zeggen, bevriend. In die tijd kwam er vanuit de ANBV een oproep om
waterslagerkeurmeester te worden. Het toenmalige team raakte op leeftijd en
men voorzag een groot probleem wanneer er geen jongere aanvulling kwam. Hans
kwam toen met het idee om samen de cursus te gaan doen. Niet zozeer omdat
we stonden te springen, maar veeleer in de trant van: als iedereen ‘nee’
zegt, is er straks niemand. We hebben samen de cursus gevolgd, examen gedaan
en zijn ook beiden keurmeester geworden. Aan die cursus houd ik gemengde
gevoelens over. Zo lang het over de zang ging had het m’n interesse en zag
ik ook het nut, maar we moesten ook hele stukken leren over het skelet van
de vogel en de erfelijkheidsleer en dat hoefde van mij helemaal niet. We
volgden een cursus voor zangkanariekeurmeester niet voor
kleurkanariekeurmeester.
Hans is overigens niet erg lang
keurmeester geweest. Hij is veel te jong overleden. Het contact met zijn
vrouw is gebleven en een paar keer per jaar spreken we elkaar, nog steeds.
Willy Kling als keurmeester aan de slag op 3 januari 2025,
de keuringsdag van de 38e clubkampioenschappen van de NZHU.
Wat zijn de leuke en minder
leuke dingen van het keurmeester zijn?
Om met het positieve te beginnen:
keuren geeft me een kick; zeker als het mooie vogels zijn zit ik te
genieten. Andersom kan ook. Van wat ik vorige week bij de NZHU ’s morgens
bij de enkelingen en stellen voor m’n neus kreeg werd ik niet vrolijk, maar
‘s middags zaten er dan toch wel weer leuke vogels tussen. Dat is ook
keuren; op het ene moment zit je op het puntje van je stoel en een half uur
later denk je: ‘Hoe kan een kweker zulke vogels inzenden’.
Als keurmeester kom je overal in het
land en krijg je dus ook een algemeen beeld over de kwaliteit en uiteraard
vergelijk je die met die van je eigen vogels.Keurmeester zijn is niet
gemakkelijk, want je wordt geacht volkomen objectief een oordeel te vellen,
maar dat is erg lastig, zo niet onmogelijk. Je zit in het keurhokje altijd
met je eigen voorkeuren en de herinneringen aan toervormen die je eerder
hebt gehoord. Zeker als je van jezelf vindt dat je heel mooie vogels hebt ga
je de vogels die je hoort onwillekeurig vergelijken met je eigen vogels.
Misschien dat ik daarom een beetje voorzichtig keur. Ik spring niet vaak uit
de ban met heel hoge punten. Het zou best wel eens kunnen dat ik voor een
klok 25 punten geef, maar een collega keurmeester 26 of misschien zelfs 27
punten schrijft. Aan de andere kant ben ik wel weer heel soepel met de
mindere vogels. Zelden schrijf ik een keurbriefje van minder dan 100 punten.
Of een vogel 80, 100 of 110 punten krijgt maakt eigenlijk niet veel uit. Het
is alle gevallen onvoldoende, maar voor de inzender en de vereniging maakte
het toch wel uit of je een serie waterslagers van 80 of van 110 punten op de
tentoonstelling hebt staan.
Als keurmeester zit je in een glazen
kast, en daar moet je je bewust van zijn. Iedereen kijkt naar je en ik weet
zeker dat er ook inzenders zijn die op een bepaald moment twijfelen aan mijn
onafhankelijkheid. Zo van: “Hij heeft de vogels van zijn broer hoger gekeurd
dan de mijne; hij heeft ze vast herkend’. Om dit geklets achter mijn rug
voor te zijn ga ik in de opkooitijd naar niemand toe, zelfs niet naar mijn
broer. Henny en ik luisteren dus voor de wedstrijden nooit samen naar zijn
vogels. Ik wil niet horen hoe de vogels zingen, want ik weet van mezelf dat
ik ze herken wanneer ik bij een keuring ze voor m’n neus krijg. Als
keurmeester moet je je dus heel bewust zijn van de praatjes die over je
kunnen rondgaan en op dat vlak een olifantshuid opbouwen, al is dat niet
altijd gemakkelijk. Soms zijn de opmerkingen die je naar je hoofd geslingerd
krijgt, of via, via hoort, echt onredelijk en dat stemt me dan niet vrolijk,
om het netjes uit te drukken.
.jpg)
Studiedag 36e clubkampioenschappen. Henny en
Willy Kling gebroederlijk naast elkaar, de keurlijsten bestuderende.
Ik heb begrepen dat je
inmiddels ook enige bekendheid hebt gekregen buiten de zangkanariewereld en
er een groot stuk over je in de krant heeft gestaan.
Dat is een heel leuk verhaal. Enige
jaren geleden ben ik benaderd door Eveline van Elk. Zij is fotografe voor
‘De Gelderlander’, maar heeft ook haar eigen projecten. Dieren en wat daar
bij komt kijken is een van de onderwerpen die haar
interesseert. Als artistiek fotograaf zend ze ook materiaal in voor
fotowedstrijden en scoort daar regelmatig hoge ogen. Zo is ze een paar keer
genomineerd geweest voor de Zilveren Camera en heeft op die wedstrijd zelfs
een paar keer een prijs gewonnen. Zij vroeg mij of ze in het kader van een
project van haar mij een jaar lang mocht volgen en fotograferen. Dat is
gebeurd. Er heeft over dat project, met foto’s van mij, een heel stuk in ‘De
Gelderlander’ gestaan. Van door haar gemaakte foto’s heb ik als heinnering
een mooi fotoboek laten maken.
Inmiddels was het rond half vier geworden en zaten we al twee uur te kletsen. Omdat Gerard en ik rond vier uur in de auto wilden stappen, richting Katwijk, was het dus hoog tijd om met Willy naar zijn vogelverblijf te gaan. Willy waarschuwde ons van te voren dat het wat krap bemeten was. Hij had niet gelogen; het was inderdaad krap, zeker voor iemand van 1,85 m en ruim 100 kilo.
Achter zijn huis heeft Willy een
schuur. Tussen zijn schuur en het huis, evenwijdig aan de afscheiding met de
buren staat zijn vogelverblijf. Vanuit het entreehalletje kom je eerst in de
broed- annex opkooiafdeling. Hier zaten 24 mannetjes in inzetkooitjes,
achter een gordijn. Tussen de kooitjes en het buitenraam was ongeveer 1
meter loopruimte. Willy kan met verschillende gordijntjes, zowel voor het
buitenraam als voor de kooitjes de lichtintensiteit regelen. Het was
verbazend hoe de vogels doorzongen terwijl ik, Willy niet uiteraard, toch
bijna met m’n buik tegen de kooitjes kwam. Willy vertelde dat hij aan het
begin van het seizoen de jonge mannen had afgeluisterd en er 24 had
uitgekozen. De ‘afvallers’ waren al weg. De 24 ‘uitverkorenen’ waren
verdeeld in viertallen die boven elkaar in de zangkast aan haakjes hingen,
zoals Willy gewend is: de vogels met het laagste ringnummer boven en verder
op ringnummervolgorde naar beneden. Hij vertelde ook dat hij in de
samenstelling van de viertallen, sinds hij tot deze keuze gekomen was, niets
had veranderd en dit ook ieder jaar zijn gewoonte was. De zangkooitjes
hangen in de zangkast aan haakjes. Wanneer de vogels naar de zangkooitjes
zijn verhuisd hangt hij ze zo op dat ze elkaar kunnen zien en van lieverlede
verkast hij ze naar achteren. Wanneer ze achterin hangen kunnen ze geen
andere vogels zien. De zangkast is van beneden naar boven en van links naar
rechts niet afgesloten, zodat het geluid zich door de hele zangkast kan
mengen.
Willy heeft in zijn vogelverblijf
geen ruimte om zijn vogels rustig te kunnen afluisteren. Dat doet hij in
huis, in de gang. Hij legt voor de voordeur een kleed op de vloer. – Hij
moet Diny tenslotte ook te vriend houden. – hangt voor de raampjes van de
voordeur een gordijntje, zet een tafeltje op het kleed en daarop de vogels
en posteert zich vervolgens verderop in de gang om te luisteren. Het is voor
Willy te hopen dat, wanneer hij zit af te luisteren, niet om de haverklap de
deurbel gaat en hij moet opendoen.
Via en schuifdeurtje kom je vanuit
de broed/opkooi afdeling in de ruimte met de vlucht. De achterwand van de
vlucht hangt vol met afneembare platen met zitstokjes voor één vogel. De
belichting in zijn hele vogelverblijf is kunstig geregeld. Via een
schakelklok beginnen ’s morgens op de ingestelde tijd gloeilampen zachtjes
te branden en wordt het licht langzaam steeds feller. Wanneer de gloeilampen
op z’n felst branden springen de lichtbalken aan. ‘s Avonds gaat de
belichting in de omgekeerde volgorde, uiteraard.
In de afdeling met de vlucht was nog
minder loopruimte tussen vlucht en buitenramen. Willy en ik konden elkaar
niet passeren, zelfs niet met ingehouden adem. Toen we Willy vroegen waarom
alles zo krap bemeten was kwam de aap uit de mouw. Hij heeft een
achteruitgang en die is vanwege zijn schuur niet te verzetten. Hij moest
zijn vogelverblijf dus in een strook met een gegeven breedte persen. Hij
heeft duidelijk gekozen voor meer ruimte voor zijn vogels dan voor zichzelf.
Overigens weerhoudt de krappe ruimte voor de verzorger Willy er niet van om
al jaren waterslagers van een dusdanig goede kwaliteit te kweken dat hij
overal waar hij vogels inschrijft meedoet om de prijzen. En wellicht geldt
bij Willy ook wel de uitspraak ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’. De mannen
van Willy zijn op de wedstrijden altijd zanglustig. Ook toen we met z’n
drieën vlak voor de inzetkooitjes stonden bleven ze enthousiast doorzingen.
Wie weet raken ze juist extra aan mensen gewend wanneer iedere keer Willy zo
dicht langs hun kooitjes schuift en dit hun zanglust in vreemde situaties
ten goede komt.
Inmiddels was de kleine wijzer van
de klok de vier gepasseerd en was het dus de hoogste tijd om te vertrekken.
Met dank voor de gastvrijheid, de goede verzorging en het aangenaam verblijf
namen we afscheid van Willy en Diny Kling. Met een door Willy geadviseerde
terugrijroute in ons achterhoofd verlieten we Kraayenberg, in de deuropening
uitgezwaaid door Willy.
Uitkooien 38e clubkampioenschappen,
4 januari 2025. Links Henny en Willy Kling.
-0-
Bijten klokken en tjokken elkaar?
door Jaap Plokker
Afgelopen najaar werd tijdens de afluistersessies de vraag opgeworpen waarom we de laatste jaren zo weinig goede tjokken horen. Eveneens werd geconstateerd dat de klokkende waterslag behoorlijk beter was geworden. Klopt dit vermoeden en zo ja, is er een causaal verband tussen het beter worden van de klok en het slechter worden van de tjok? Jaap Plokker probeert op deze vragen een antwoord te vinden.
Voorafgaand aan de jaarvergadering
luisterden we op dinsdag 26 november 2024 naar twee stammen waterslagers,
één van Jan Zonderop en één van Krien Onderwater. Alle aanwezigen waren
onder de indruk van de klokkende waterslag die beide stammen lieten horen;
die van Jan’s vogels hadden een meer golvende vorm en die van Krien was meer
geslagen.
Zoals het een speciaalclub betaamt
werd het fileermes tevoorschijn gehaald en het lied van de vogels die
opstonden ‘gefileerd’: ‘Mooie vogels, heel mooie vogels zelfs, maar waar
bleven de aansprekende tjokken?’ Andries Gort merkte
op dat, naar zijn waarneming, het al jaren gaande is dat goede tjokken
zelden te beluisteren zijn. De gedachte kwam ter tafel dat vogels met een
zeer goede klok, in de regel, zwak waren in hun tjokken. De indruk was dat
een goede klok en goede tjokkenrol beter bij elkaar passen dan een goede
klokken en goede tjokken.
Bijten klokken en tjokken elkaar? En
als dat zo mocht zijn moeten we dan ons maar steeds blijven focussen op de
klokkende waterslag, of hiermee een stapje terug doen om de tjokken te
rehabiliteren?
.jpg)
Studiedag 38e clubkampioenschappen op 4 januari 2025. Andries
Gort (l) en Gerard van Zuijlen bestuderen de catalogus. In het verleden had
Andries waterslagers die over bijzonder mooie tjokken beschikten
Meten is weten
De gedachte dat tjokken en klokken
elkaar niet kunnen verdragen is zo’n kwekerswijsheid die algemeen ingang
gevonden heeft, maar is het werkelijk zo, of een hersenspinsel?
Meten is weten. Maar hoe kan je
meten of tjokken en klokken elkaar bijten?
Mij schoot te binnen dat ik in het
verleden eens bezig ben geweest met het ‘meten’ van waterslagerzang en voor
mij interessante resultaten uit de bus kwamen. Waarom niet eens opnieuw een
poging gewaagd?
Een oud onderzoek
In het najaar van 1993 klonk onder
de waterslagerkwekers van vogelvereniging De Kanarievogel een min of meer
overeenkomstige vraag als die tijdens het afluisteren op
26 november 2024 over de tjokkenpartij naar voren werd gebracht:
‘Waar waren de ‘bammen’ gebleven?’ In de herinnering van de Katwijkse
waterslagerkwekers waren er in het verleden diverse leden geweest die vogels
met een zeer goede klokkende waterslag kweekten, zo
goed dat er regelmatig een ‘10’ viel op de onderlinge wedstrijd, maar dat
was in 1993 al veel te lang niet meer voorgekomen. De klokkende waterslag
had in Katwijk in kwaliteit ingeboet, zo leek het althans. En als dat zo zou
zijn wat was hiervan de oorzaak?
De voor het beantwoorden van deze
vragen benodigde informatie stond op
de keurlijsten. Ik beschikte over aan de klokkende waterslag
gegeven beoordelingen op de wedstrijd van De Kanarievogel van alle vogels
over de periode 1981 t/m 1993. Verder leek het me ook interessant om de
‘Katwijkse’ gegevens te vergelijken met de op de wedstrijd van de NZHU
toegekende beoordelingen. Ik had
de hiervoor benodigde gegevens voor de periode 1985
t/m 1993.
Toen ik alle gegevens op een rijtje
had en de tabellen in grafieken beter zichtbaar maakte kwamen er enkele
interessante gegevens uit. De eerste was dat de ontwikkelingen bij De
Kanarievogel en de NZHU nagenoeg gelijk liepen. We moeten in dit verband
niet vergeten dat in de toenmalige waterslagerbolwerken Hillegom/Lisse en
Heemskerk/Beverwijk nog volop waterslagers werden gekweekt en leden van deze
verenigingen ook vogels inzonden voor de wedstrijd van de NZHU. Wedstrijden
van de NZHU weerspiegelden dus een algemeen beeld voor West-Nederland.
Dat algemene beeld was duidelijk:
vanaf medio de jaren ’80 daalde het aantal waterslagers met een
beoordeling van de klokkende waterslag in het ‘zeer
goede’, te weten met een beoordeling van minimaal 9 pnt.
Prijswinnende vogels die hun winst mede te danken hadden aan een goede klok
werden steeds minder ten gunste van de vogels met een goed binnenlied. De
vogels die vanaf medio de jaren ’80 in de prijzen vielen blonken uit in hun
binnenlied en niet in de klok; die stokte bij de prijswinnende vogels vaak
bij een waardering van 7 pnt.
Die trend zette door tot in de jaren ’90. Zoals gezegd, het onderzoek stopte
met de gegevens over de wedstrijden in 1993. Het gevoel dat toen onder de
Katwijkse kwekers leefde, nl. dat van een langzaam in kwaliteit teruglopende
klokkende waterslag, klopte dus met de cijfers.
Toen ik deze conclusie kon trekken
was het natuurlijk ook interessant of er een verklaring voor deze
ontwikkeling gevonden kon worden. Ik kwam toen tot de volgende
veronderstelling. In 1981 was de keurlijst voor waterslagers gewijzigd. Lag
hier een mogelijke oorzaak? De NBvV en ANBV waren in 1981 afgestapt van de
COM keurlijst en hadden een keurlijst ingevoerd die het nachtegaalaccent
van de waterslager moest versterken. Tjokken en tjokkenrol, op de COM
keurlijst een gecombineerde rubriek met max. 6 pnt., werden twee
afzonderlijke rubrieken waarvoor elk max. 6 pnt. behaald konden worden. Met
de ‘tjokkenpartij’ kon dus vanaf 1981 twee keer zoveel punten gescoord
worden. Bollende waterslag ging van max. 9 naar max. 6 pnt. en rollende
waterslag van max. 6 naar max. 9 pnt. Verder werd een nieuwe rubriek
toegevoegd, nl. ‘nachtegaalaccent’. Deze veranderingen op de keurlijst
betekende dat de vogels met een zeer goede klokkende waterslag meer
concurrentie ondervonden van vogels met een goede tjokkenpartij en
nachtegaalaccent. Binnen enkele jaren waren de vogels, die met de COM
keurlijst, hun prijzen aan voornamelijk een goede klok dankten,
‘ondergesneeuwd’ door de vogels met een goed binnenlied, in het bijzonder
een goede tjokkenpartij. Als je op wedstrijden met je vogels prijzen wilde
behalen dan moest je zorgen voor een ijzersterk binnenlied, en het liefst
met slagvogels. Daar viel de winst te behalen, niet met een goede klok. Op
grond van de cijfers was duidelijk waarvoor de kwekers hadden gekozen:
vogels die hoge punten scoren met een compleet lied. Vogels met klokken van
9 en 10 pnt., maar met een relatief zwak binnenlied
vielen buiten de prijzen. De focus om vogels te kweken met een zeer goede
klok, dus 9 pnt. of hoger, verdween steeds meer,
zijnde wedstrijdtechnisch minder interessant.
De onderzoeksresultaten heb ik
gepubliceerd in 1994 in de zomereditie van het clubblad van De Kanarievogel.
Over hoe de ontwikkelingen na 1993 zijn gegaan heb ik niet in beeld. Ik heb
een dergelijk onderzoek daarna namelijk nooit meer gedaan.
Studiedag 38e clubkampioenschappen op 4 januari 2025. Jan de
Bruine (l) en Piet Hagenaars tijdens een van de pauzes gewikkeld in een
geanimeerd gesprek.
Klok en tjok aan de meetlat
Om meer inzicht te krijgen omtrent
de vraag die in dit artikel centraal staat, namelijk of een kwalitatief
stijgende klokkende waterslag het bijkomend effect heeft dat de tjokken in
kwaliteit achteruitgaan, leek me de systematiek die
ik in 1993 had toegepast mogelijk bruikbaar.
Ik beschik van de wedstrijd van de
NZHU namelijk over heel veel gegevens van keurresultaten, die ook nog een
onafgebroken, ruime, periode beslaan. Vanaf 1986 werd de waardering van klok
en tjok van alle vogels in de catalogus vermeld en met ingang van 1990 stond
zelfs de volledige keurlijst in de catalogus afgedrukt. Ik heb alle catalogi
vanaf de eerste wedstrijd van de NZHU, in 1985,
tot mijn beschikking.
Er is echter een statistisch
probleem. Met ingang van 2008 is de keurlijst gewijzigd en de
vermenigvuldiging met drie, die daarvoor op het tussenresultaat werd
toegepast, wordt sindsdien direct bij de beoordeling verdisconteerd. In de
oude situatie werd een ‘zeer goede’ tjok gewaardeerd met een 5 of 6; met de
huidige keurlijst begint een zeer goede tjok al bij 13 pnt., dus bij een 4,3
in de oude situatie. Met een + of - was vóór 2008 weliswaar mogelijk een
waardering tussen twee hele cijfers te geven, maar van die mogelijkheid werd
in de praktijk nauwelijks gebruik gemaakt.
Om het ‘meten’ zo zuiver mogelijk te
doen heb ik daarom besloten voor mijn onderzoeksvraag de periode 2008 t/m
2024 onder de loep te nemen en de periode vóór 2008 buiten beschouwing te
laten. De onderzoeksperiode beslaat 15 wedstrijden. In 2020 en 2021 werden
namelijk geen clubkampioen-schappen georganiseerd,
vanwege corona.
Keuringsdag 38e clubkampioenschappen, 3 januari 2025.
Waterslagerkeurmeester Krien Onderwater aan het werk.
Onderzoeksvragen
We hebben een aantal vragen die om
een antwoord vragen:
Neemt in de periode 2008 t/m 2024
op de clubkampioenschappen van de NZHU de
kwaliteit van de tjokken af?
Neemt in de periode 2008 t/m 2024 op
de clubkampioenschappen van de NZHU de kwaliteit van de klokkende waterslag
toe?
Zijn op grond van de geconstateerde
beoordelingen een zeer goede klok en zeer goede tjok met elkaar verenigbaar
in het lied van één waterslager?
Geldt hetzelfde voor de tjokkenrol?
Ons keursysteem is gebaseerd op de
driedeling voldoende, goed, zeer goed.
Besloten is om dit onderzoek te
beperken tot de in het ‘zeer goed’ beoordeelde toervormen. Dit betekent dat
alleen gekeken is naar waterslagers die voor de klokkende waterslag een
waardering hebben gekregen van 25 pnt. of hoger; voor
tjokken van 13 pnt. of hoger en voor tjokkenrol van
eveneens minimaal 13 pnt.
De meetresultaten
‘Meten’ is in de regel een
tijdrovende en oersaaie bezigheid, met de uiteindelijke beloning dat je
kennis dat van de ‘barkrukpraatjes’ verre overstijgt en je dus met de
nodige feitelijke onderbouwing conclusies kan trekken. Na
een respectabel aantal uurtjes tellen en rekenen kwamen acht tabellen uit de
bus.
In Tabel 1 vinden we het totaal
aantal waterslagers dat in de periode 2008-2024 op de clubkampioenschappen
van de NZHU voor klokkende waterslag is beoordeeld. Vervolgens het aantal
vogels van dit totaal dat een beoordeling in het ‘zeer goede’ heeft
gekregen, dus 25 pnt. of meer. Verder het percentage van het aantal vogels
dat een ‘zeer goede klok; heeft laten horen ten opzichte van het totaal aan
vogels dat klok heeft gezongen. In Tabel 2 is een vergelijkbaar overzicht
opgenomen, maar dan voor de tjokken en in Tabel 3 voor de tjokkenrol.
Tabel 5 is
een overzicht van het totaal aantal vogels dat op de wedstrijden van de NZHU
in de periode 2008-2024 voor zowel klokkende waterslag als tjokken een
beoordeling heeft gekregen. Vervolgens het aantal vogels dat zowel 25 pnt.
of hoger is toegekend voor de klok als 13 pnt. of hoger voor de tjok. In
Tabel 6 zijn vergelijkbare gegevens weergegeven, maar
dan voor de tjokkenrol.
In Tabel 7
staan de aantallen vogels vermeld die zowel een klokkende
waterslag van 25 pnt. of meer gezongen hebben en ook tjokken
van 13 pnt. of meer. Tevens het percentage van de vogels die zeer goede
tjokken zongen van het aantal waterslagers dat ook voor klok beoordeeld
werden met 25 pnt. of meer. In Tabel 8 staan
vergelijkbare gegevens maar dan voor de tjokkenrol.
Gaande het onderzoek leek het
verstandig nog een tabel te maken, namelijk van vogels die van de
keurmeesters voor de tjokken 15 pnt. of hoger hadden ontvangen en tevens
welke scores ze hadden voor de klokkende waterslag. Dat is Tabel 4
geworden.
Een algemene opmerking betreft het
aantal vogels dat in de meting is meegenomen. Vergelijken we het aantal
vogels dat klokkende waterslager heeft gezongen in 2008 met dat in januari
2025 dan is sprake van meer dan een halvering. Vergeleken met de aantallen
vogels die in de eerste helft van het tweede decennium werden ingezonden is
zelfs sprake van een daling met tweederde. Hetzelfde geldt voor het aantal
inzenders. De percentages worden dus in de loop van de jaren over steeds
kleinere groepen berekend.
Conclusies
Aan de hand van de in de tabellen opgenomen gegevens nemen we een
aantal onderwerpen onder de loep.
NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 - Klokkende waterslag ≥ 25 pnt (Tabel 1) en tjokken ≥ 13 pnt (Tabel 2)
Tabel 1 Tabel 2
|
jaar |
Aantal klok ws |
aantal klok ws ≥ 25 pnt. |
% |
|
Aantal tjokken |
aantal tjokken ≥ 13 |
% |
|
|
|
|
|
|
|
||
|
2008 |
328 |
15 |
4,6 |
|
338 |
55 |
16,3 |
|
2009 |
329 |
13 |
4 |
|
327 |
48 |
14,7 |
|
2010 |
350 |
7 |
2 |
|
380 |
60 |
15,8 |
|
2011 |
359 |
13 |
3,6 |
|
387 |
67 |
17,3 |
|
2012 |
362 |
7 |
1,9 |
|
368 |
107 |
29,1 |
|
2013 |
401 |
18 |
4,5 |
|
392 |
59 |
15,1 |
|
2014 |
304 |
19 |
6,3 |
|
298 |
66 |
22,1 |
|
2015 |
287 |
5 |
1,7 |
|
286 |
35 |
12,2 |
|
2016 |
244 |
6 |
2,5 |
|
244 |
9 |
3,7 |
|
2017 |
200 |
7 |
3,5 |
|
201 |
13 |
6,5 |
|
2018 |
165 |
5 |
3 |
|
177 |
29 |
16,4 |
|
2019 |
214 |
14 |
6,5 |
|
220 |
42 |
19,1 |
|
2020 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
||
|
2021 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
||
|
2022 |
167 |
50 |
29,9 |
|
183 |
22 |
12 |
|
2023 |
129 |
35 |
27,1 |
|
133 |
19 |
14,3 |
|
2024 |
120 |
30 |
25 |
|
120 |
21 |
17,5 |
Klokkende waterslag
Tabel 1 laat een opmerkelijk
ontwikkeling zien wat betreft de klokkende waterslag. Het aantal waterslagers
dat op de clubkampioenschappen van de NZHU een klok zong van 25 pnt. of meer
is na de corona onderbreking spectaculair gestegen. Schommelden tussen 2008
en 2019 de percentages vogels met een zeer goede klok rond de 4%-6% van het
totaal aantal vogels dat voor een klok beoordeeld werd, na de coronapandemie
is dat ruim 25%. De indruk die onder leden nu leeft dat de laatste jaren de
kwaliteit van de klokkende waterslag over de algehele linie beter is
geworden klopt dus volledig en is zelfs veel spectaculairder dan ik had
vermoed. Er is zelfs geen sprake van een geleidelijke ontwikkeling,
maar sprake van een overduidelijke trendbreuk gedurende de
coronaonderbreking.
We constateren vanaf medio het
tweede decennium een afname in het aantal vogels en inzenders. In dit
verband heeft de coronaonderbreking eveneens een versnelling van de
neergaande trend tot gevolg gehad. Het lijkt er dus op dat de kwekers met
waterslagers die over een zeer goede klokkende waterslag beschikken op dit
moment tussen de liefhebbers sterker vertegenwoordigd zijn dan voorheen,
zeker in vergelijking tot de periode vóór corona.
NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 – tjokkenrol ≥ 13 pnt
Tabel 3
|
Jaar |
Aantal tjokkenrol |
aantal tjokkenrol ≥ 13 pnt. |
% |
|
|
|
|
|
|
2008 |
342 |
48 |
14 |
|
2009 |
341 |
49 |
14,4 |
|
2010 |
386 |
68 |
17,6 |
|
2011 |
388 |
45 |
11,6 |
|
2012 |
373 |
94 |
25,2 |
|
2013 |
405 |
64 |
15,8 |
|
2014 |
319 |
64 |
20,1 |
|
2015 |
299 |
27 |
9 |
|
2016 |
282 |
16 |
5,7 |
|
2017 |
208 |
19 |
9,1 |
|
2018 |
178 |
23 |
12.9 |
|
2019 |
224 |
31 |
13,8 |
|
2020 |
Geen wedstrijd-corona |
||
|
2021 |
Geen wedstrijd-corona |
||
|
2022 |
183 |
26 |
14,2 |
|
2023 |
133 |
16 |
12 |
|
2024 |
126 |
24 |
10 |
Tjokken en tjokkenrol
De indruk, die ook onder leden
bestaat, namelijk dat de tjokken de laatste jaren in kwaliteit zijn
achteruitgegaan wordt niet met de cijfers aangetoond. In Tabel 2 kunnen we
zien dat de percentages van het aantal vogels dat met
zeer goede tjokken werd beoordeeld ten opzichte van het totaal aantal vogels
dat tjokken gezongen heeft voor de hele periode 2008-2024 rond het
gemiddelde van 15,3% schommelen. Er waren dus in de periode rond 2010
procentueel evenveel waterslagers die zeer goede tjokken zongen dan de
laatste jaren.
Met mijn vermoeden, dat een
waterslager gemakkelijker een tjokkenrol in het zeer goede zingt dan tjokken
van 13 pnt. of meer, sla ik de plank mis. Tabel 3 laat zien dat er
nauwelijks verschil is in de percentages tussen de vogels die zeer goede
tjokken en zeer goede tjokkenrollen zingen. Sterker, het gemiddeld
percentage van het aantal vogels op wedstrijden van de NZHU met zeer goede
tjokkenrollen ligt zelfs een fractie lager, dan dat van de zeer goede
tjokken.
NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 - Klokkende waterslag en tjokken van 15 pnt.
Tabel 4a
|
Klok |
0 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
27 |
totaal |
|
Jaar |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2008 |
|
1 |
|
1 |
|
|
2 |
2 |
2 |
10 |
|
|
4 |
|
1 |
23 |
|
2009 |
2 |
1 |
1 |
|
|
1 |
1 |
1 |
2 |
5 |
|
|
|
1 |
|
15 |
|
2010 |
|
|
|
|
1 |
|
1 |
|
|
|
1 |
|
2 |
|
|
5 |
|
2011 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
1 |
|
|
|
4 |
|
2012 |
|
|
|
|
|
|
3 |
|
|
2 |
2 |
1 |
1 |
|
|
9 |
|
2013 |
|
|
|
|
|
|
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
|
2014 |
|
|
|
|
1 |
|
1 |
|
|
1 |
1 |
3 |
|
|
1 |
8 |
|
2015 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
|
|
|
|
1 |
|
2016 |
|
|
|
|
|
|
|
1 |
|
|
|
|
|
|
|
1 |
|
2017 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2018 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2019 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2020 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||
|
2021 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||
|
2022 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2023 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
|
|
|
|
2 |
|
2024 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ons geheugen is een complex
fenomeen, dat ons regelmatig op het verkeerde been zet. We
hebben namelijk de neiging extremen ons beter te
herinneren en vervolgens die te veralgemeniseren: ‘Vroeger kon je elke
winter schaatsen’. Ook zien we dat mensen in hun
geheugen twee ervaringen, die onafhankelijk van elkaar hebben
plaatsgevonden, samenvoegen tot één gebeurtenis. Hoe langer geleden des te
vaker je, overigens volkomen onbewust, in deze valkuil trapt. Een van de
bekendste voorbeelden van dit fenomeen is dat, in het geheugen
van ooggetuigen, op het eind van de Tweede Wereldoorlog het
Zweedse wittebrood uit vliegtuigen werd gedropt. Een herinnering die
volkomen in strijd is met de werkelijk
gebeurde feiten. Een andere hobby van mij, het zal jullie
niet verbazen, is het doen van historisch onderzoek en daarover schrijven.
Ik zit dus regelmatig in archieven in dossiers eigentijdse documenten door
te nemen. Wanneer ik met een project bezig ben krijg ik soms de tip om naar
iemand toe te gaan die uit eigen herinnering over desbetreffend onderwerp
kan vertellen. Ooggetuigen van gebeurtenissen, zeker
als ze al lang geleden hebben plaatsgevonden, zijn,
in de regel, voor feiten onbetrouwbare bronnen,
althans dat is mijn ervaring. Door schade en schande wijs geworden benader
ik ooggetuigen dan ook als een waardevolle bron, maar met een gezond dosis
wantrouwen: men heeft in de regel de klok wel horen luiden, maar waar
precies de klepel hangt is in het geheugen diffuus geworden. We zagen
hiervoor dat het percentage zeer goede tjokken op de wedstrijden van de NZHU
van ca. vijftien jaar geleden nauwelijks verschilt van tegenwoordig. Heeft
ons geheugen dan ons op het verkeerde been gezet wanneer we ons uit het
verleden vormen van tjokken herinneren, die we vandaag de dag steeds minder
horen?
Om ons geheugen op te frissen is het
van belang om naar tabel 4a en 4b te kijken. In ons
geheugen herinneren we ons niet de tjokken die met 13 en 14 pnt. zijn
bewaardigd. Ook deze vallen in de categorie ‘zeer goed’, maar daarvoor gaan
we niet op het puntje van onze stoel zitten. Dat zijn de tjokken die van de
keurmeester 15 of meer punten hebben gekregen. Die blijven ook langer in ons
geheugen hangen. In tabel 4a en 4b kunnen we zien dat
ons geheugen ons een klein beetje op het verkeerde been heeft gezet, maar
ook niet helemaal. Hiervoor zagen we dat, in algemene zin, tegenwoordig
procentueel evenveel zeer goede tjokken worden gezongen dan aan het begin
van de onderzoeksperiode. De bulk van de vogels die in deze tabel terecht
zijn gekomen zongen tjokken van 13 en 14 pnt., niet de tjokken waar we even
voor gaan zitten dus. In Tabel 4a en 4b zoomen we in
op de tjokken die we ons als de mooie tjokken uit het verleden herinneren,
de tjokken die 15 en soms zelfs 16 punten hebben gekregen. Inderdaad, deze
tjokken hebben we al lang niet meer gehoord. De laatste keer was in 2023,
maar dat was een incidentele gebeurtenis, waarvan
maar zeer weinigen getuige zijn geweest. Op de afluisterochtend van 25
november 2023 zette Rob Bisschops een stam vogels op die tjokken zongen
om je vingers bij af te likken. Twee van hen kregen
ook een waardering van 15 pnt. op de wedstrijd.
NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 - Klokkende waterslag en tjokken van 16 pnt.
Tabel 4b
|
Klok |
0 |
8 |
20 |
24 |
Totaal |
|
Jaar |
|
|
|
|
|
|
2008 |
|
|
|
|
|
|
2009 |
1 |
1 |
1 |
|
3 |
|
2010 |
|
|
|
4 |
4 |
|
2011 |
|
|
|
|
|
|
2012 |
|
|
|
|
|
|
2013 |
|
|
|
|
|
|
2014 |
|
|
|
|
|
|
2015 |
|
|
|
|
|
|
2016 |
|
|
|
|
|
|
2017 |
|
|
|
|
|
|
2018 |
|
|
|
|
|
|
2019 |
|
|
|
|
|
|
2020 |
Geen wedstrijd-corona |
||||
|
2021 |
Geen wedstrijd-corona |
||||
|
2022 |
|
|
|
|
|
|
2023 |
|
|
|
|
|
|
2024 |
|
|
|
|
|
Het feit dat de toenmalige
aanwezigen nu nog steeds over deze vogels van Rob Bisschops spreken is
wellicht ook een bewijs dat het toen heel uitzonderlijk was. Tabel 4a
en 4b bevestigen dat. De laatste
keer, vóór 2023, dat op de wedstrijd van de NZHU door een keurmeester aan
een waterslager 15 pnt. voor tjokken werd gegeven was in 2016 en het betrof
toen, welgeteld, één vogel. Voor tjokken die met een score van 16 pnt. zijn
beoordeeld moeten we zelfs terug naar 2010. Tabel 4a en 4b
laten ons nog meer zien: Voor de tijd dat het vrij
regelmatig voorkwam dat er voor tjokken 15 pnt., en soms zelfs 16 pnt., werd
gegeven moeten we terug naar de jaren 2010 en daarvoor. Vanaf 2010
constateren we een duidelijke afname van het aantal ‘zeer zeer goede’
tjokken en sedert 2015 lijken ze vrijwel verdwenen.
Voor de tijd dat tamelijk regelmatig
zeer mooie tjokken werden gezongen moeten we dus vijftien jaar terug in de
tijd. Daarna volgde een periode van zeven jaar waarin
sporadisch voor de tjokken 15 pnt. werden geschreven en vanaf 2015 is dit
een incidentele gebeurtenis. De tjokken van 15 punten en hoger lijken
uit het moderne lied van de NZHU-waterslager
verdwenen. In dit opzicht heeft ons geheugen ons dus niet in
de steek gelaten.
NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 – zowel klokkende waterslag ≥ 25 pnt als tjokken (Tabel 5) en tjokkenrol (Tabel 6) ≥ 13 pnt
Tabel 5 Tabel 6
|
jaar |
Aantal klok+ tjok |
aantal klok ≥ 25 pnt. + aantal tjok ≥ 13 pnt |
% |
|
Aantal tjokrol + klok |
aantal klok ≥ 25 pnt. tjokrol ≥ 13 pnt. |
% |
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
. |
|
|
|
|
|
|
2008 |
320 |
4 |
1,3 |
|
324 |
1 |
0,3 |
|
2009 |
320 |
5 |
1,6 |
|
323 |
2 |
0,6 |
|
2010 |
339 |
0 |
0 |
|
341 |
1 |
0,3 |
|
2011 |
354 |
6 |
1,7 |
|
352 |
7 |
2 |
|
2012 |
355 |
3 |
0.9 |
|
356 |
2 |
0,6 |
|
2013 |
387 |
0 |
0 |
|
399 |
6 |
1,5 |
|
2014 |
280 |
5 |
1,8 |
|
298 |
4 |
1,3 |
|
2015 |
273 |
4 |
1,5 |
|
282 |
1 |
0,4 |
|
2016 |
208 |
1 |
0,5 |
|
241 |
0 |
0 |
|
2017 |
189 |
2 |
1,1 |
|
197 |
1 |
0,5 |
|
2018 |
164 |
0 |
0 |
|
165 |
0 |
0 |
|
2019 |
206 |
7 |
3,4 |
|
211 |
4 |
1,9 |
|
2020 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
||
|
2021 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
||
|
2022 |
164 |
7 |
4,3 |
|
164 |
7 |
4,3 |
|
2023 |
123 |
3 |
2,4 |
|
123 |
5 |
4,1 |
|
2024 |
114 |
1 |
0,9 |
|
120 |
1 |
0,8 |
Tjok versus klok
Komen we, tenslotte, tot de cruciale
vraag: Bijten klokken en tjokken elkaar, oftewel gaat een verbetering van de
klokkende waterslag ten koste van de tjokken en
andersom? Is het kweken van een waterslager met zowel
zeer goede tjokken als zeer goede klokken een
onbegonnen zaak? Voor antwoorden op deze vragen
gaan we opnieuw te rade in de tabellen met meetresultaten.
We zagen hiervoor dat het percentage tjokken dat in
het zeer goede wordt beoordeeld, dus vanaf 13 punten, vanaf 2008 min of meer
stabiel is gebleven.
We zagen ook dat de tjokken die we plaatsen in de
categorie ‘erg mooi’, dus van 15 pnt. en hoger, voor het laatst ca. 2010
regelmatig werden gehoord, daarna in aantallen stevig zijn teruggelopen en
vanaf 2015 nauwelijks meer zijn waargenomen. Beide genoemde ontwikkelingen
met betrekking tot de tjokken staan los van hetgeen heeft plaatsgevonden
omtrent de kwaliteitsverbetering van de klokkende waterslag. De
spectaculaire kwaliteitsimpuls van de klok vindt plaats na 2022; de terugval
van de ‘erg mooie’ tjokken is dan al zeven zo niet ruim tien jaar gaande.
In algemene zin zou men dus de conclusie kunnen
trekken dat de verbetering van de klok in de jaren vanaf 2022 geen effect
heeft gehad op de kwaliteit van de tjokken. Ook zijn er geen meetresultaten
die er op duiden dat de terugval van de ‘zeer mooie’ tjokken gedurende het
tweede decennium veroorzaakt is door meer focus van de kwekers op de
klokkende waterslag. Gaan een zeer goede klok en zeer goede tjokken dan dus
prima samen en bijten ze elkaar niet? Die conclusie mag niet getrokken
worden, omdat de genoemde gegevens eigenlijk op deze vraag geen antwoord
geven. Daarvoor moeten we inzoomen op vogels die zowel klokkende waterslag
als tjokken hebben gezongen.
In Tabel 5 is het aantal vogels
weergegeven dat zowel voor klokkende water-slag als
tjokken is bewaardigd. Verder is gekeken naar welke van deze vogels zowel
een zeer goede klok, dus van 25 pnt. of meer, als zeer goede tjokken hebben
laten horen. Dit blijkt een zeer klein percentage te
zijn van alle vogels die zowel klokkende waterslag als tjokken hebben
gezongen. In Tabel 7 is dat verder gespecificeerd: hoeveel vogels die 25
pnt. of meer voor de klok hebben gekregen hebben ook voor de tjokken 13 pnt.
of hoger gescoord?
Het betreft dusdanig kleine
aantallen dat een vogel meer of minder al gelijk grote verschillen in de
percentages oplevert. De cijfers in de kolom percentages in Tabel 7 vertonen
dan ook het beeld van een jojo die van het ene uiterste in het andere
uiterste springt. Er kunnen dus geen duidelijke ontwikkelingen geconstateerd
worden.
Leggen we de cijfers uit Tabel 1, 2,
4, 5 en 7 naast elkaar dan ontstaat het
beeld dat het kennelijk erg lastig is een waterslager te kweken die zowel
over een zeer goede klokkende waterslag als zeer goede tjokken beschikt.
Overzien we de hele periode 2008-2024 dan is, in absolute cijfers, het
aantal vogels dat op dezelfde wedstrijd tot dit kunstje in staat was nooit
meer geweest dan zeven. Hun percentage van het totaal aantal vogels dat
zowel klok als tjokken ge-zongen heeft schommelt in
genoemd tijdsbestek tussen 0 en 4%. Kijken we naar de waterslagers die voor
de tjokken met 15 en 16 punten zijn beoordeeld, dan is het aantal vogels dat
daarnaast ook nog een zeer goede klokkende waterslag wist te zingen,
over de gehele periode 2008-2024 bekeken,
op de vingers van één hand te tellen, nl. drie
waterslagers.
Waterslagers die zowel een zeer
goede klokkende waterslag beheersen en daarnaast ook nog zeer goede tjokken
zingen komen voor. Het is dus niet onmogelijk. Hun
aantal is echter zo klein dat we gerust mogen spreken
over de spreekwoordelijke uitzonderingen op de regel.
Dat we deze conclusie kunnen trekken
over een periode van 17 kweekseizoenen duidt er op dat er meer aan de hand
is dan toeval. Willen we in ons lied de tjokken verbeteren naar ruim
in het ‘zeer goede’ dan laten de meetresultaten zien dat het
heel aannemelijk is dat we op de kwaliteit van de klok zullen inleveren en
andersom. Het streven naar een stam waterslagers die zo-wel
beschikt over een klok van 25 punten of meer en tjokken zingt van 15 pnt.
of hoger lijkt op voorhand een missie die tot
mislukken gedoemd is.
In Tabel 6 en Tabel 8 zijn voor de tjokkenrol met de tjokken vergelijkbare
ge-gevens weergegeven en de resultaten duiden er op
dat de verschillen tussen tjokken en tjokkenrol verwaarloosbaar klein zijn.
Hetgeen hierboven is beweerd aangaande de tjokken
geldt dus evenzo voor de tjokkenrol.
NZHU clubkampioenschappen 2008-2024 – zowel klokkende waterslag ≥ 25 pnt als tjokken (Tabel 5) en tjokkenrol (Tabel 6) ≥ 13 pnt
Tabel 7 Tabel 8
|
jaar |
Aantal klok ≥ 25 pnt. |
waarvan tjok ≥ 13 pnt |
% |
|
Aantal klok ≥ 25 pnt. |
waarvan tjokrol ≥ 13 pnt. |
% |
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
. |
|
|
|
|
|
|
2008 |
15 |
4 |
26,7 |
|
15 |
1 |
6,7 |
|
2009 |
13 |
5 |
38,5 |
|
13 |
2 |
15,4 |
|
2010 |
7 |
0 |
0 |
|
7 |
1 |
14,3 |
|
2011 |
13 |
6 |
46,1 |
|
13 |
7 |
53,8 |
|
2012 |
7 |
3 |
42,9 |
|
7 |
2 |
28,6 |
|
2013 |
18 |
0 |
0 |
|
18 |
6 |
33,3 |
|
2014 |
19 |
5 |
26 |
|
19 |
4 |
21,1 |
|
2015 |
5 |
4 |
80 |
|
5 |
1 |
20 |
|
2016 |
6 |
1 |
16,7 |
|
6 |
0 |
0 |
|
2017 |
7 |
2 |
28,6 |
|
7 |
1 |
14 |
|
2018 |
5 |
0 |
0 |
|
5 |
0 |
0 |
|
2019 |
14 |
7 |
50 |
|
14 |
4 |
28,6 |
|
2020 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
||
|
2021 |
Geen wedstrijd-corona |
|
|
|
|
||
|
2022 |
50 |
7 |
14 |
|
50 |
7 |
14 |
|
2023 |
35 |
3 |
8,6 |
|
35 |
5 |
14,3 |
|
2024 |
30 |
1 |
3,3 |
|
30 |
1 |
3,3 |
Inkooien 38e clubkampioenschappen op 2 januari 2025. Vlnr. Rob
Bisschops, Jan Zonderop, Krien Onderwater en Piet Hagenaars. De laatste keer
dat bij de NZHU tjokken en tjokkenrollen werden gehoord die echt indruk
maakten was op de afluisterochtend op 25 november 2023 met vogels van Rob
Bisschops.
Tijd voor een ‘wake up call’?
Als ik in het voorjaar naar of van
mijn volkstuin over de Cantineweg in Katwijk fiets spits ik altijd de oren
om te horen of ik in het duinstruweel een nachtegaal hoor zingen. Als dat
het geval is en ik in het nachtegaallied iets bijzonders hoor komt het
regelmatig voor dat ik even stop om te luisteren. Het
zijn dan niet de klokkende en rollende waterslag die mij doen stoppen, ook
niet de leuke knorren en fluitenrollen die je wel eens hoort, maar vooral de
smekende ‘doe’ fluiten en, als kers op de taart, de tjokkenpartij, zowel
tjokken als tjokkenrollen. Zo mooi als een nachtegaal ze kan zingen hoor je
ze bij een waterslager hoogst zelden. Op de afluisterochtend van 25 november
2023 zette, tijdens de afluisterochtend,
Rob Bisschops een stam vogels op en toen die het op hun heupen kregen en ik
m’n ogen even dicht deed waande ik me in de duinen, tussen de nachtgalen:
schitterende tjokken en tjokkenrol-len. Twee vogels
werden tijdens de keuring gewaardeerd met 15 pnt. Voor de vormen die ze op
die zaterdagochtend zongen hadden van mij meer vogels 15 of zelfs 16 pnt.
mogen krijgen.
Ik heb wat met die tjokkenpartij,
dat zal de lezer inmiddels wel duidelijk zijn. Ik vind het een op en top
nachtegaaltoer die volkomen thuis hoort in het waterslagerlied. Sterker: Een
waterslager zonder aansprekende tjokkenpartij vind ik
eigenlijk geen waterslager. Ook ik moet met lede oren aanhoren hoe in het
lied van mijn eigen vogels de watertoeren sterk zijn
verbeterd, maar de tjokkenpartij, i.h.b. de tjokken, door mijn vogels
nauwelijks in het ‘goede’ wordt gezongen. Ik heb ze in mijn vogels wel
gehad, ruimschoots, maar dat is inmiddels al weer jaren geleden en
toen was het klokkend waterwerk in mijn vogels ook een stuk minder.
Hoewel zeer mooie klokken en zeer mooie tjokken in
één waterslager verenigd een zeldzaamheid is, zoals de meetresultaten
aantonen, zijn is er ook geen aanwijzingen dat de zeer mooie tjokken, van 15
pnt. en hoger, schaarser zijn geworden door een grotere focus op de kokkende
waterslag. De teloorgang van de mooie tjokken is al bijna vijftien jaar
gaande. Wat hiervan de oorzaak is blijft vooralsnog een vraag. Het lijkt er
op dat kwekers zich minder op de tjokkenpartij focussen; deze toeren hebben
kennelijk aan populariteit behoorlijk ingeboet.
Wordt het daarom
geen tijd de tjokken en tjokkenrollen, als echte
nachtegaaltoeren, uit het ‘verdoemhoekje’
te halen en wat meer op een voetstuk te plaatsen, zodat in de
toekomst in de rubrieken tjokken en tjokkenrollen wat vaker
door de keurmeester ‘15 pnt.’ op het keurbriefje geschreven kan worden.
.jpg)
Studiedag 38e clubkampioenschappen op 4 januari 2025. Gerard van
Zuijlen en Piet Hagenaars bij de bar.
Epiloog
Uit bovenstaande mag wel de
conclusie getrokken worden dat de focus van de meeste kwekers, die nu
waterslagers inzenden voor de wedstrijden van de NZHU, gericht is op een zo
mooi mogelijke klokkende waterslag. De klokkende waterslag is de hoofdtoer
in het waterslagerlied, laat daar geen twijfel over bestaan. Maar hebben we
met onze welhaast eenzijdige focus op de klok de
kwaliteit van de overige toeren een beetje uit het oog verloren, in het
bijzonder de toer die het ‘natuurlijke slachtoffer’ wordt van deze
bovengemiddelde aandacht voor de klok: de tjokken.
De moraal van dit artikel is
duidelijk. Wanneer we de kwaliteit van de tjokken in het lied van onze
waterslagers willen opkrikken naar het zeer goede, bijvoorbeeld naar meer
vogels met 14 en 15 pnt. zullen we moeten accepteren
dat deze vogels geen klokken van 26 en 27 pnt. zullen zingen. De morele
vraag is dus: Willen we dit? Zijn we zo flexibel in
ons denken dat we ons er bij kunnen neerleggen dat onze waterslagers voor de
klok niet hoger scoren dan 24 pnt., maar wel voor
tjokken 14 of 15 pnt. krijgen? Of zijn de klokken van
27 pnt. voor ons inmiddels zo ‘heilig’ geworden dat praten over vermindering
van de kwaliteit van de klok een soort ‘heiligschennis’ is. Ik heb de indruk
dat het tegenwoordig wel een beetje die richting
opgaat.
Ik wil tot slot onze
waterslagerkeurmeesters een huiswerkvraag meegeven en zal mijn eigen vogels
als voorbeeld nemen. Het afgelopen seizoen was ik best wel tevreden over de
kwaliteit van het waterwerk van mijn vogels. Ze brachten, zowel in mijn ogen
als in die van de keurmeesters, een klokkende en rollende waterslag die ruim
in het zeer goede vertoefde. Over de tjokkenpartij was ik een stuk minder
tevreden. De tjokkenrollen gingen nog wel, maar de
tjokken vond ik ‘bedroevend’. Wanneer we als basis de driedeling ‘voldoende’,
‘goed’, ‘zeer
goed’ hanteren, zou ik de tjokken van mijn vogels
laag in de categorie ‘goed’ indelen. Als ik ze vergelijk met de
tjokken die de vogels van Rob Bisschops op 23 november 2023 zongen
verdienden ze, mijn inziens, zeker niet meer dan 9
punten. Ik kreeg keurlijsten met waarderingen voor de tjokken die twee tot
drie punten hoger waren dan ik ze zelf waard vond.
Luisterend naar de vogels op de studiedag van de NZHU heb ik de indruk dat
dit niet alleen bij mijn vogels het geval is. Wanneer je de vogels
hoort die voor tjokken 11 punten krijgen en vogels waarvan de tjokken
beoordeeld worden met 14 pnt. dan is, naar mijn oordeel, het verschil van
drie punten lang niet in overeenstemming met het
kwaliteitsverschil in de ge-zongen toervormen.
De huiswerkvraag is derhalve: Hebben we in het
afgelopen decennium het ‘verdwijnen’ van de tjokken
die met 15 pnt. gewaardeerd kunnen worden een handje
geholpen door vogels te ‘matsen’ met meer punten voor tjokken dan ze,
overeenkomstig de driedeling voldoende, goed, zeer goed, verdienden?
Zouden we het kweken van de mooie tokken en
tjokkenrollen niet stimuleren door in de beoordeling het kwaliteitsverschil
meer in de puntentoekenning tot uitdrukking te laten komen?
Willen we in het waterslagerlied de
tjokkenpartij, na ruim tien jaar ‘verwaarlozing’,
weer de positie teruggeven waarop deze toeren, als echte
nachtegaaltoeren, aanspraak mogen
maken, dan is er veel werk aan de winkel, op diverse fronten.
Keuringsdag 38e clubkampioenschappen, 3 januari 2025.
Waterslagerkeurmeester Toon van Gestel aan het werk.
Ik wil eindigen met een algemene opmerking en een oproep. Bovenstaande conclusies en pleidooien zijn gebaseerd op de resultaten van de wedstrijden van één vereniging, de NZHU. Het merendeel van de inzenders voor de clubkampioenschappen van de NZHU wonen in het westen van Nederland. In hoeverre bovenstaande een landelijk beeld vertegenwoordigt is onbekend. Daarvoor is het nodig dat ook andere organisaties een vergelijkbaar onderzoek doen, bijvoorbeeld van wedstrijden waarvoor vooral kwekers uit het oosten van Nederland waterslagers inschrijven. Ik ben heel benieuwd of iemand ‘in den lande’ deze handschoen zou willen oppakken.
-0-